Opinie

Promotiepaniek

Column Harald Merckelbach Neem plankenkoorts weg en bevorder discussie en gedachtewisseling, dat is wat de verdediging van al die mooie proefschriften verdient.

Harald Merckelbach

Het kroonstuk op het onderzoek van jonge wetenschappers is de openbare verdediging van hun proefschrift. Van zulke academische promoties hebben we er elk jaar in ons land rond de 4.800. Dat is spectaculair veel als je het afzet tegen de vroege jaren negentig, toen het er op jaarbasis hooguit 2.000 waren. Zijn het er nu teveel, zoals sommige zwartkijkers menen? Ik zie niet in waarom. Vergeleken met Scandinavische landen hebben we per duizend inwoners weinig doctoren (12 tegen 6,6). Nog belangrijker: niets wijst erop dat proefschriften in de loop van de tijd aan kwaliteit hebben ingeboet. En dat terwijl tegenwoordig het doen van promotieonderzoek in grote delen van de wetenschap meer is geprotocolleerd en dus vaker belast met administratieve rompslomp dan voorheen het geval was. Denk aan zoiets als ethische toetsing: vroeger konden mijn vakgenoten en ik er lustig op los experimenteren. Die dagen zijn voorbij. Tegenwoordig wordt praktisch elk onderzoek van tevoren door een commissie beoordeeld op de mate van risico’s voor proefpersonen. Zo zijn er wel meer hordes die moderne promovendi moeten nemen: het varieert van de nieuwe privacyrichtlijnen waarmee zij bij hun onderzoek rekening dienen te houden tot en met vaktijdschriften die eisen dat ze van tevoren een kant en klaar onderzoeksplan hebben gedeponeerd (‘preregistratie’). Geen wonder dat heel wat promovendi gaandeweg de rit weleens mismoedig worden en zich afvragen waarom ze vier jaar lang als een galeislaaf moeten zwoegen op een proefschrift.

Maar dan is daar uiteindelijk toch een proefschrift dat wordt goedgekeurd door een leescommissie van professoren en docenten, waarna de dag van de openbare verdediging volgt. De manier waarop Nederlandse universiteiten die vormgeven is tamelijk uniek. Nergens anders bestaat er zo’n fraaie combinatie van examen en ceremonie. Examen: dat zijn de vragen waarmee hoogleraren de promovendus een uur lang het vuur aan de schenen mogen leggen. Ceremonie: dat zijn de toga’s van de hoogleraren, de pedel die na dat uur binnenschrijdt en hora est roept en de feestelijke uitreiking van de doctorsbul aan de promovendus.

Veel promovendi zijn voor en tijdens die openbare verdediging hypernerveus. Jammer, want zo’n plechtigheid is op haar best als er de rust en ruimte is voor een levendig debat over de inhoud van het proefschrift. Het helpt als promovendi ervan doordrongen raken dat niemand die inhoud beter snapt dan zijzelf. Dat wéten de professoren die straks vragen gaan stellen maar al te goed en daarom zijn ook zij vaak zenuwachtig. Ze zijn bang om een domme vraag te stellen en door de promovendus voor het oog van het aanwezige publiek te worden neergesabeld. De meest gespannen hoogleraren herken je eraan dat ze vanaf een papiertje wijdlopige vragen oplezen. Meestal begint zo’n vraag met een verwijzing naar een artikel dat zijzelf schreven. Dat is om duidelijk te maken dat zij bepaald niet de minsten in hun vak zijn. Daarna volgt de eigenlijke vraag die gaat over een spitsvondige ontdekking die de hooggeleerde vragensteller in het proefschrift deed: op pagina 123, tabel 24c, derde kolom, klopt bij variabele X het betrouwbaarheidsinterval niet helemaal. Hoe zit dat? Tja, wat zeg je dan als promovendus terwijl de zenuwen door je lijf gieren en je blinde paniek in de ogen van je oma ziet? Zwijgen is onmogelijk. Mijn advies: ‘Hooggeleerde opponent, ik ken het antwoord op uw ongemeen interessante vraag niet; maar ik begin toch alvast te praten, want misschien schiet me nog iets zinnigs te binnen.’

De beste vragen tijdens zo’n openbare verdediging gaan over grote kwesties en lokken discussie uit. Wat bijvoorbeeld regelmatig voorkomt is dat de promovendus zich zeer gehecht toont aan allerlei opvattingen van de eigen hoogleraar, ofschoon de bevindingen van het proefschrift daartoe weinig aanleiding geven. Dat is een uitstekend onderwerp voor een intellectueel steekspel. Toch wil je als vragensteller een promovendus tijdens de openbare verdediging niet met zulke fundamentele kwesties overvallen. Doe je dat wel, dan test je hoogstens of de aankomende doctor snedige opmerkingen weet te plaatsen.

Ondanks het toegenomen aantal promoties heeft de openbare verdediging de tand des tijds glansrijk doorstaan. De manier waarop zij vorm krijgt is in al die decennia praktisch onveranderd gebleven. Dat doet deugd. Maar in één opzicht zou het verstandig zijn als we van de traditie afwijken: licht de promovendus van tevoren in over de strekking van de vragen die tijdens de openbare verdediging aan de orde gaan komen. Dat geeft hem of haar de gelegenheid om zich terdege voor te bereiden, neemt de plankenkoorts weg en bevordert de diepgang van het academisch debat. Want dat is wat al die mooie proefschriften verdienen: niet een bijdehand vraag- en antwoordrondje, wel een gedachtewisseling op het scherpst van de snede.

Harald Merckelbach is hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht.