Recensie

Recensie Boeken

De vijf mythes over islamofobie

Islamofobie In zijn gebundelde blogs fileert Martijn de Koning in kort bestek vijf mythes over islamofobie. (●●●●)

Protest tegen islamofobie op de Place de la République in Parijs, op 19 oktober 2019
Protest tegen islamofobie op de Place de la République in Parijs, op 19 oktober 2019 Foto Joris van Gennip

Wat is islamofobie – en moeten we er bang voor zijn? Antropoloog Martijn de Koning schreef een aantal blogs over het begrip die zijn gebundeld in een kort boek, bedoeld om de discussie voor een ‘breed publiek’ te verdiepen. Dat is nuttig, want je krijgt soms de indruk dat Nederland inmiddels evenveel islamdeskundigen telt als Amerika- en voetbalkenners.

Onder al die experts is ‘islamofobie’ een omstreden begrip, dat verklaart maar ook provoceert. Enerzijds is het een analytische term die in de sociale wetenschappen wordt gebruikt om stigmatisering van moslims te onderzoeken. Anderzijds is het een activistische term die volgens ‘islamcritici’ de functie heeft om kritiek op de islam bij voorbaat verdacht te maken als onredelijk en ingebeeld.

De Koning is een geëngageerde wetenschapper; hij zet zich in voor de strijd tegen islamofobie en werkte mee aan een project waarin een gefingeerde moslima (‘Nora’) islamofobe uitingen bekritiseert. In dit boekje zet hij zich af tegen critici die ontkennen dat er zoiets bestaat als islamofobie. Op basis van de literatuur over het onderwerp fileert hij vijf populaire ‘mythes’ over het begrip. Zoals: het is verzonnen om kritiek verdacht te maken; het kan geen racisme zijn; het bestaat niet.

Moslima’s ‘bevrijden’

Niet al zijn tegenwerpingen zijn even overtuigend, maar zijn boekje verheldert wel veel. ‘Islamofobie’ blijkt in elk geval geen bedenksel van de Iraanse imam Khomeini. Het is al te vinden in de vroege twintigste eeuw, in boeken als La politique musulmane dans l’Afrique Occidentale (1910) en in de Journal of Theological Studies (1925). Met uiteenlopende betekenissen, ook als angst ván moslims voor de islam, of als het tegendeel van ‘islamofilie’.

Pas met de opkomst van het antiracisme-discours in de jaren tachtig raakt de term echt in zwang. De Britse Runnymede Trust (1997) formuleerde maar liefst acht, rijkelijk ruime kenmerken van een islamofobe ‘houding’, zoals: de islam zien als massief en onveranderlijk, essentieel gewelddadig en ‘anders’. Wie het etiket krijgt, moet aan meerdere criteria in sterke mate voldoen. Wat al meteen aangeeft dat de zaken niet kraakhelder zijn.

Trefzeker is De Konings weerlegging van het populaire sofisme dat islamofobie niet racistisch kán zijn omdat moslims geen ‘ras’ zijn. Je ‘kiest’ tenslotte voor een geloof, nietwaar. De Koning wijst allereerst op de hypocrisie in dit argument: dezelfde islamcritici hameren vaak op de religieuze onderdrukking van moslim(a)s en de noodzaak hen te ‘bevrijden’. Waar is die vrije keus dan opeens gebleven?

Stigmatisering

Belangrijker: racisme wordt allang niet meer gezien als identiek met de biologische variant uit de negentiende eeuw die na het nazisme taboe werd. Kern ervan is de stigmatisering en uitsluiting van etnische groepen op basis van negatieve vooroordelen en stereotypen. Veel islamkritiek heeft ‘dezelfde dynamiek’, noteert De Koning – en daar heeft hij gelijk in. Achter de intellectuele façade doemt al te vaak een programma op om moslims te degraderen tot tweederangs-burgers of te zien als exemplaren van een soort. De analyse ‘islamofobie’ is dan het ideologie-kritische weerwoord.

Toch blijft het begrip problematisch. Want waarom dan niet expliciet spreken van ‘anti-moslimracisme’, zoals De Koning op zijn blog soms doet? Wat is de meerwaarde van het medische suffix ‘-fobie’, behalve te suggereren dat angst voor of kritiek op de islam een ziekelijke aandoening is? De Koning gaat te snel voorbij aan het verschil met een ingeburgerde term als homofobie, die direct verwijst naar afkeer van een verzameling individuen, niet naar smetvrees voor een abstract begrip.

Om het bezwaar te ondervangen benadrukt hij dat ‘islamofobie’ niet slaat op individuele angst maar op bredere, maatschappelijke paniek en stigmatisering. Negatieve stereotypen worden dan gezien als de onveranderlijke ‘essentie’ van de islam of als algemene kenmerken van individuen. Zo staat het ook in een nieuw Runnymede-rapport dat in 2017 verscheen en dat een einde probeert te maken aan de verwarring over het begrip.

Anti-zionisme

Dat lijkt een goede uitweg, omdat islamofobie in die benadering weliswaar overlapt met kritiek op de islam, maar niet per se hetzelfde is. Zoals ook anti-zionisme en antisemitisme niet identiek zijn maar wel raakvlakken hebben.

Uiteindelijk hangt het van context en uitleg af of ‘islamofobie’ terecht wordt gebruikt, voor reële uitsluiting van moslims, of dient als retorische dooddoener. Wie erover wil meepraten, kan in elk geval niet meer zonder dit beperkte, maar heldere overzicht van de argumentatie.

Wie intussen denkt dat alleen twitterend Nederland hiermee worstelt, hoeft maar even over de grens te kijken. De Vlaamse antropoloog en oud-hoogleraar Rik Pinxten (1947) publiceert het ene korte, lezenswaardige geschrift na het andere over onze post-koloniale toestanden.

Kuifje

Ook in zijn jongste boek, Kuifje wordt volwassen, over de dekolonisering van de geest is het gevoel van urgentie hoog. Een mentaliteitsverandering is vereist, betoogt Pinxten oog in oog met de klimaatcrisis, het is hoog tijd dat de witte stripheld volwassen wordt.

Pinxten brengt veel naar voren wat al bekend is uit ander postkoloniaal debat, maar zonder verhitte polemiek en soms met verrassende invalshoeken. Zo meent hij dat ‘schaamte’ het hoopvolle begin is van verandering ten goede. Dat is interessant, want in Nederland wordt (witte) schaamte vaak eerder afgedaan als teken van valse onschuld. In Witte onschuld analyseert Gloria Wekker het gedrag van een witte collega die haar zijn jasje aanbood (hij dacht dat zij wel van de garderobe zou zijn). Terloops meldt ze dat de man, toen hij zijn pijnlijke vergissing besefte, een knalrood hoofd kreeg. Valt daar niet ook meer over te zeggen?

Pinxten is geen pleitbezorger van een ‘multiculturele’ samenleving, omdat daarin het gevaar van segregatie volgens hem op de loer ligt, maar van een ‘interculturele’. Hij meent dat anti-racisten de verantwoordelijkheid voor verbetering te vaak louter bij de ‘daders’ leggen en ziet eerder een gedeelde noodzaak en inspanning om koloniale ballast overboord te zetten.

Aan het slot doet hij praktische aanbevelingen, die wel erg klinken naar het tiersmondisme van de jaren zestig, inclusief het aangaan van stedenbanden met het Zuiden en een nieuwe informatie-orde (die er niet kwam). Dat doet niets af aan zijn hartstochtelijke oproep tot wederzijdse empathie en het breken met onverzoenlijk binair denken in wij en zij. Dat klinkt dan weer zo oneigentijds dat het van de weeromstuit aantrekkelijk wordt.