Recensie

Recensie Boeken

Een verrassend sterk boek over een naar Miami gevluchte oplichter

André Platteel Sam, een charismatische oplichter, is twintig jaar geleden naar Miami gevlucht nadat hij zijn familie in allerlei zwendelpraktijken heeft betrokken. Nu hij in de problemen is geraakt, heeft hij diezelfde familie weer nodig.

Still uit de film Sexy Beast met Ray Winstone Gary in de rol van de voormalige kluizenkraker Gary ‘Gal’ Dove.
Still uit de film Sexy Beast met Ray Winstone Gary in de rol van de voormalige kluizenkraker Gary ‘Gal’ Dove.

Aan de verleidelijkheid van de moderne klassieker De wilde detectives (1998) van Roberto Bolaño ligt een even eenvoudige als effectieve retorische greep ten grondslag: het leeuwendeel ervan wordt in korte stukjes door telkens andere personages verteld. Dit levert zoiets op als een vorm van literaire oral history, waarbij je de indruk krijgt dat er iemand met een bandrecorder in de aanslag al die mensen heeft uitgehoord over die twee snoeshanen over wie het boek eigenlijk gaat (slimme constructie ook om te ontkomen aan verwijten van egocentrisme, maar dat terzijde).

Ik zal hier André Platteel niet op dezelfde hoogte plaatsen als Bolaño, maar hij bedient zich in zijn verrassend sterke (ik had nog nooit van hem gehoord) Alleen de eenzamen van een vergelijkbare techniek.

In feite draait alles er in om Sam, maar komt die Sam zelf nauwelijks aan het woord. Wie wel? Zijn slachtoffers, de familieleden die hij in het verleden bedonderde, die hij twintig jaar geleden achter zich liet toen hij naar Amerika verkaste en die hij nu weer onder ogen komt omdat hij aan de andere kant van de oceaan danig in de problemen is geraakt.

Ex-gangster

Déze greep, die van de terugkeer van het ongure type, brengt dan weer een film als Sexy Beast (2000) in herinnering, waarin het relatief kalme leven van een ex-gangster in Spanje verstoord werd door de furieuze Ben Kingsley. Alleen de eenzamen gunt de lezer het leggen van tal van dit soort culturele verbanden, het zit allemaal erg goed in elkaar en als er in wordt verwezen naar andermans literatuur komt dat niet gezocht of geforceerd over, maar functioneel. Ergens heeft Platteel (1969) wel wat te veel hooi op z’n vork genomen en moet je flink in de kantlijn krassen om zowel genealogie als plot te kunnen blijven begrijpen. Het staat het eigenlijke schrijven (ik vermijd hier het woord ‘verhaal’, want daarvan vindt Platteel, getuige één van zijn motto’s, dat het niets met schrijven te maken heeft) wat in de weg. Dat schrijven is sterk zat en betreft het losweken van allerlei aangekoekte onverkwikkelijkheden die stinken naar wraak, varkens en nagemaakte Chianti.

De rijzige, nu zo goed als bejaarde Sam, staat voor meer dan een mens, zo lijkt het. Platteel legt hem zo’n plat, van amerikanismen doorspekt taaltje in de mond dat hij een soortsymbool van obsceniteit is geworden, een pestlijder die ze met alle geweld buiten de stadspoort hadden moeten houden. Rondom Sam, een soort blend van Willem Holleeder en Tony Soprano, staan personages die met uitgesproken beroepen, functies of namen ook méér zijn dan Kees, Abeltje of Jonathan. Er is een schrijver, er is een militair, er is iemand die heel die familiaire janboel achter zich hoopt te laten middels een straf oosters geestelijk dieet. Geweld als erfstuk, een David-Lynchiaanse omgang met de sentimentele popcultuur (vertaal de titel maar eens naar het Engels) en de liefde voor literatuur. ‘Boelgakov vonden we het mooist, Tsjechov was het daarmee eens.’ Daar klopt geen hout van, zult u zeggen, van die zin. Hier wel.