Schrijver Peter Buurman wil een ruimtereis maken. Maar omdat dat best wel veel geld kost, neemt hij de stoptrein naar Glanerbrug.

Het Grote Verhaal

Al die ruimte in mijn handen

Door Peter Buurman. Illustraties Aart-Jan Venema. 1 februari 2020

Schrijver Peter Buurman wil een ruimtereis maken. Maar omdat dat best wel veel geld kost, neemt hij de stoptrein naar Glanerbrug.

Toen Het Blad me om een reisverhaal vroeg, wist ik dat mijn dromen werkelijkheid zouden worden. Dit was mijn kans. Ik zou eindelijk een ruimtereis maken. Als reizen gaat om het oprekken van het verbeeldingsvermogen, dan is ruimtereizen het summum. Misschien alleen overtroffen door tijdreizen, maar volgens sommigen is dat hetzelfde. We reizen de wereld over om plekken te zien die anders zijn dan de plekken die we kennen. Het eten is ergens anders lekkerder, de mensen zijn er vriendelijker, de natuur is er grootser. Ergens anders is het warmer, rustiger, levendiger, mooier, leuker, anders.

Hoe anders moet het zijn om de wereld niet over te reizen, maar om de wereld af te reizen? Om op te stijgen, door een raampje te kijken en het geheel van buitenaf te zien? Om te voelen dat je niet langer onderdeel bent van dat geheel, en dat hier dáár geworden is?

Voor een groot deel van de mensheid heeft ruimtereizen altijd tot de verbeelding gehoord. Lange tijd kon het niet eens, en toen het eenmaal mogelijk werd, was het voor weinigen weggelegd. Pas in 1961 maakte de Rus Joeri Gagarin als eerste mens een ruimtevlucht, in 1969 zette Amerikaan Neil Armstrong als eerste mens voet op een ander hemellichaam. Ik kom uit 1992 en ben opgegroeid in een tijd waarin ruimtereizen niet langer zo baanbrekend is. De generatie vóór mij groeide op met de Challenger, de spaceshuttle die in 1986 amper een minuut na de lancering uit elkaar spatte, met de dood van de volledige bemanning tot gevolg. Ik ben van de André Kuipers-generatie. Ik was elf toen hij op 19 april 2004 vertrok op de Delta-missie en herinner me de updates op Schooltv waarin hij vertelde hoe het met hem ging en wat hij aan het doen was. Ik voelde me onderdeel van zijn experimenten. Wij probeerden tuinkers te laten groeien in een kartonnen doosje in de vorm van een raket. Hij probeerde ongeveer hetzelfde, maar dan in de ruimte.

Ik ben van de André Kuipers-generatie

Ruimtereizen lijkt steeds toegankelijker te worden. Dat je eerst astronaut bij een traditionele ruimtevaartorganisatie zal moeten worden, is niet langer per se waar. Iedereen kon zich tegen een betaling van 5 tot 75 dollar aanmelden voor Mars One, het plan om de planeet Mars te koloniseren, dat gefinancierd zou worden door een realityprogramma over de missie.

SpaceX, het ruimtevaartbedrijf van Elon Musk, stelde eind 2019 dat er slechts twintig jaar voor nodig zal zijn om een zelfvoorzienende stad op Mars te bouwen, en niet meer dan duizend transportraketten (zogeheten Starships) die de hele tijd heen en weer vliegen om de benodigde één miljoen ton aan materialen af te leveren.

De fantasieën van Blue Origin en Virgin Galactic, de ruimtevaartbedrijven van Jeff Bezos en Richard Branson, reiken iets minder ver. Zij willen ruimtereizen toegankelijker maken door middel van ‘ruimtetoerisme’. Hun plannen zijn wat eenvoudiger voor te stellen – ook omdat ze doen denken aan een veredelde kermisattractie. Ze willen mensen vanuit een woestijn in Texas 106 kilometer recht omhoog lanceren in een capsule bovenop een raket, tot net buiten de atmosfeer. Daarna zullen de inzittenden verrijkt en wel naar beneden komen bungelen aan een parachute.

Tussen droom en daad staan wetten in de weg, en praktische bezwaren. Hoewel het volgens de oprichter geen gevolgen zal hebben voor de reis, ging Mars One Ventures AG begin 2019 alweer failliet. Terwijl de deadlines voor de eerste Marsreis van SpaceX steeds weer een stukje opschuiven, lanceerde Elon Musk alleen een Tesla de ruimte in, terwijl ‘Space Oddity’ van David Bowie uit de speakers schalde. De duizend Starships die een stad op Mars moeten zetten vliegen nog niet; Musk opperde wel het plan om in 2023 met acht kunstenaars en de Japanse miljardair Yusaku Maezawa een rondje om de maan te vliegen.

Het lijkt te passen in een bredere traditie van Mars-expedities, die al sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw in leven wordt gehouden. Ze worden altijd in de nabije toekomst gepland, en ze gaan nooit door.

De meer bescheiden droom, een tochtje buiten de atmosfeer, lijkt haalbaarder. Technisch kan het al bijna, en ze weten ook al wat het ongeveer moet gaan kosten. Virgin Galactic zal voor een stoel 250.000 dollar vragen, Blue Origin is met 150.000 dollar iets goedkoper.

Toch bereikt ook mijn eigen droom hier een grens. Zoveel geld heb ik namelijk niet, en NRC kan of wil het niet betalen. Ik zal iets anders moeten verzinnen.

Glanerbrug is een dorp in de gemeente Enschede, ten oosten van de stad. Het ligt helemaal tegen de Duitse grens. Aan de andere kant van de Glanerbeek lijkt het dorp gewoon door te gaan, maar dat is een ander land, een ander dorp, met de naam Gronau.

In Glanerbrug wonen amper twintigduizend mensen. Op het eerste gezicht is er niets bijzonders aan. Toch is er in Nederland geen andere plek waar je zo dicht bij de ruimte kunt komen.

Als je ’s nachts op je rug ligt, naar de sterrenhemel tuurt en je probeert voor te stellen hoe het moet zijn om daar naartoe te reizen, vergeet je al gauw dat wij niet alleen naar de ruimte gaan, maar dat de ruimte ook naar ons komt, al veel langer en in veel groteren getale. Zo nu en dan weet een stuk steen door de dampkring te dringen. Vaak is zo’n steen door de weerstand van de atmosfeer al verdampt voordat hij de grond raakt – dat noemen we dan een vallende ster – maar soms weet zo’n steen lang genoeg heel te blijven om de grond te raken. Eerst wordt het stuk ruimtesteen zichtbaar vanaf het aardoppervlak, als een overvliegende vuurbal, en even later slaat hij in. Soms heeft dat desastreuze gevolgen: er wordt aangenomen dat een meteorietinslag 66 miljoen jaar geleden het einde van de dinosauriërs inluidde. Veel vaker blijft het onopgemerkt, of wordt het vergeten.

Er zijn in totaal zes Nederlandse meteorietinslagen geregistreerd in de Meteoritical Bulletin Database van de Meteoritical Society, de wereldwijde organisatie die het op zich neemt nieuwe meteorietennamen en -classificaties goed te keuren en te registreren. Vermoedelijk zijn er meer dan zes inslagen geweest, maar was het toen nog geen Nederland, werd het toen nog niet herkend als meteoriet, of werd het nog niet geregistreerd. Bovendien schijnt Nederland door het vele water en de zachte grond niet het ideale land te zijn om meteorieten in terug te vinden.

Zes. De eerste in 1840, de meest recente in 2017. Allen staan ze in de database, inclusief datum van inslag, gewicht, materiaalclassificatie, Google Earth-coördinaten, links naar wetenschappelijke referenties en andere archieven – en natuurlijk een naam. Alle zes de meteorieten zijn vernoemd naar de plek waar ze insloegen.

Ik kan niet over de ruimte schrijven zonder aan mijn vader te denken

Voor de verhalen over de meteorieten moet je ergens anders terecht. Als ik google op de namen, kom ik op hobbyistisch aandoende websites terecht, waar aan de hand van bronnenmateriaal wordt omschreven hoe de betreffende meteorieten neerploften in het turf in de Peel, een weiland, of hoe ze door het dak van een tuinhuisje sloegen. Het meest betrouwbaar vind ik de verhalen op de website van Marco Langbroek, een Nederlandse archeoloog, gepromoveerd aan de Universiteit van Leiden en als onderzoeker betrokken bij het onderzoek naar meteorieten in Naturalis Biodiversity Center. Op zijn site omschrijft hij zichzelf onder andere als ‘amateurastronoom’. Over iedere meteoriet heeft hij een korte pagina geschreven, onderbouwd met historische bronnen. Sommige van deze pagina’s zijn het laatst herzien in 2012; bij navraag laat Langbroek weten dat hij ze graag nog eens zou updaten met nieuwe informatie, maar uit wat hij heeft gedocumenteerd is in elk geval op te maken dat de ene meteorietinslag meer tot de verbeelding spreekt dan de andere.

De Uden is de oudste bekende Nederlandse meteoriet. Hij viel op vrijdag 12 juni 1840 in Uden, op slechts vijf meter afstand van landbouwknecht Martinus van de Vondervoort, die op dat moment aan het werk was in de Peel. Een andere Peelwerker heeft de steen daarna een tijd tentoongesteld in zijn herberg in Volkel, waar het stukje ruimte eerst beschadigd raakte voor het via een gemeentesecretaris en een baron aan het ‘Provinciaal Genootschap in Noord-Braband’ werd geschonken.

De Utrecht viel drie jaar later, op vrijdag 2 juni 1843, rond acht uur ’s avonds, in Utrecht. Een knecht die net terugkeerde van het land zag een voorwerp inslaan in een wei bij Fort Blaauwkapel. Het is veruit de zwaarste Nederlandse meteoriet, van in totaal bijna tien kilo. Zeven kilo kwam terecht in de weide. Drie kilometer verderop viel een ander fragment, drie kilo zwaar, in een sloot vlak bij het gehucht Loevenhoutje.

Dertig jaar later, op maandag 27 oktober 1873, sloeg de Diepenveen in. Het is met 68,4 gram de lichtste van de Nederlandse meteorieten; hij zou gewoon in je broekzak passen. Wat dat betreft is het misschien nog enigszins begrijpelijk dat juist deze meteoriet in de 140 jaar daarop in de vergetelheid raakte. Via de landarbeider die de inslag had waargenomen ging de Diepenveen achtereenvolgens naar de dorpsonderwijzer, diens stiefzoon en de hogereburgerschool van Deventer, waar de steen uiteindelijk op een zolder werd opgeborgen – en vergeten. Pas in de zomer van 2012 kreeg Henk Nieuwenhuis de meteoriet weer onder ogen, toen zijn campingbuurvrouw hem de stenenverzameling liet zien die haar na het opheffen van de school geschonken was. Het toeval wilde dat die Henk Nieuwenhuis voormalig conservator was van het Eise Eisinga-planetarium in Franeker. Hij kreeg ‘een goed gevoel’ van de steen. Hij nam contact op met de voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Weer- en Sterrenkunde (KNVWS), en die namen weer contact op met Marco Langbroek.

In de tussentijd, op vrijdag 28 augustus 1925, sloeg op het Zeeuwse eiland Schouwen de Ellemeet in. Tijdens de val ging het eigenlijk al mis. De meteoriet viel uit elkaar. Een ooggetuige zag een stuk van bijna een kilo neerkomen in een wei, een fragment dat later de naam Serooskerke zou krijgen kwam ongeveer 2 kilometer verderop neer. Serooskerke werd vergeten en dook pas weer op in 2009, waarna hij werd opgenomen in de collectie van sterrenwacht Sonnenborgh in Utrecht. In 2014 werd daar ingebroken, de inbrekers namen onder andere het fragment mee. Ze wisten blijkbaar niet zo goed wat ze ermee moesten; het werd een paar dagen later zwaar beschadigd teruggevonden in een plastic zak naast een tennisbaan.

Daarna bleef het wat meteorieten betreft lang stil. Terwijl op aarde de ruimtewedloop werd gevoerd, hield de ruimte zelf zich even koest. Pas drie jaar geleden was het weer raak. Een meteoriet sloeg door het dak van een tuinhuisje in Broek in Waterland, op fietsafstand van mijn huis. De vuurbol werd door het hele land waargenomen, de steen werd pas de volgende dag ontdekt door de eigenaren van het tuinhuisje, toen ze dakpanscherven zagen liggen. Een half jaar later, op 26 juni 2017, werd het bestaan van de meteoriet bekendgemaakt door Naturalis. Marco Langbroek was die avond te gast bij RTL Late Night.

Al die plekken zijn door meteorietinslagen nadrukkelijker onderdeel geworden van het heelal. Maar als ik op aarde zo dicht mogelijk bij de ruimte wil komen, is er maar één plek waar ik naartoe kan. Mijn ruimtereis leidt naar Glanerbrug, waar op in april 1990 de vijfde Nederlandse meteoriet door het dak van een woonhuis stortte.

De praktijk is vaak minder schoon dan de verbeelding. Als je naar boven kijkt, lijkt de ruimte leeg en onontgonnen, maar in werkelijkheid cirkelt er allemaal schroot om ons heen. Trappen van een raket, afgedankte satellieten, schroefjes, verfschilfers. Nu een reis buiten de atmosfeer buiten mijn mogelijkheden ligt, kan ik het nog idealiseren, maar misschien valt het wel tegen als ik het eenmaal doe – zweef ik daar tussen al die troep.

Waarschijnlijk is het tegen die tijd ook al normaal, doet iedereen het al. Het probleem is dat alles zo snel went. Veel dingen die ik tegenwoordig kan doen, lagen ooit buiten het verbeeldingsvermogen van de mens. Ik kan slapen zonder de angst opgegeten te worden door roofdieren. Ik kan naar de andere kant van de wereld vliegen. Ik kan terwijl ik op de wc zit lezen wat honderden wildvreemden vinden van een opiniestuk over obsessief smartphonegebruik. Hoe hard ik ook mijn best doe om me daarover te verwonderen, het blijft normaal. Als het er eenmaal is, is het al gauw niet meer voor te stellen dat het er níet was.

Misschien is dat waarom we reizen: om een andere werkelijkheid te ervaren.

Astronauten ervaren vaak iets wat het overview effect genoemd wordt: als ze de wereld van buitenaf zien, verandert hun perspectief op de kwetsbaarheid van mens en aarde volledig en voelen ze de roeping de planeet te beschermen. Ik geloof dat de wil om over de wereld te reizen vergelijkbaar is: door onze omgeving te veranderen, hopen we onszelf te veranderen.

De reis van mijn huis naar Glanerbrug duurt ongeveer drie uur. Niet alleen heb ik bij lange na niet genoeg geld om met de ruimtevaartorganisaties van Jeff Bezos en Richard Branson te reizen, ik heb ook geen rijbewijs, waardoor ik aangewezen ben op het openbaar vervoer. Door het donker fiets ik naar Amsterdam Centraal, waar de NS mij via Amersfoort naar Enschede zal brengen en Deutsche Bahn mij vervolgens zal afzetten op het laatste perron voor de grensovergang: station Glanerbrug.

Tenminste, dat zegt de 9292-app op mijn telefoon, en ik ben toch iedere keer nog een beetje verrast als die voorspellingen overeenkomen met de werkelijkheid. Ik zet mijn fiets op slot in een fietsenrek achter het station, check in, koop een kop koffie bij de kiosk. Ik heb het al vaak genoeg gedaan om het normaal te vinden, maar toch voel ik enige spanning. Ik heb online mijn onderzoek gedaan, ik heb foto’s bekeken, ik heb zelfs even rondgelopen in Google Streetview, maar eigenlijk weet ik niet precies waar ik naartoe ga.

Ik vraag me af of de andere treinreizigers weten dat ik onderweg ben naar de ruimte, maar durf de vraag aan niemand te stellen. Omdat het druk is, zit ik op een klapstoeltje naast de deuren. Buiten wordt het langzaam lichter, het is mistig, door de met namen bekraste ruiten in de treindeuren schijnt een vreemde kleur blauw. Ik haal mijn telefoon uit mijn zak en maak er een foto van in de hoop dat later nog zichtbaar zal zijn hoe vreemd het voelde.

Een meteoriet is ook maar een zwerfkei, zij het over iets grotere afstanden

Treinen lijken vaak door een soort niemandsland te rijden. Op de snelweg zie je de andere reizigers om je heen bewegen, maar de trein heeft iets eenzaams. Je zit allemaal stil en je gaat precies even hard dezelfde kant op. Tegelijkertijd voelt het vreemd om contact te maken. Na mijn overstap in Amersfoort glijd ik in een bijna lege trein over de Veluwe. Het wordt lichter, de mist blijft hangen, waardoor alles er vanzelf vreemder en verlatener uit gaat zien. Als de trein langs een uitgestrekte heide rijdt, lijkt het net een buitenaards landschap, de paarsrode gloed van de heidebloemen is vaag maar nog zichtbaar.

Ik doe ongetwijfeld mijn best om het te zien, maar de kleur lijkt onwerkelijk. Ik denk aan waar ik naartoe ga, en waarom ook alweer.

Mijn vader stuurde me via WhatsApp eens een foto van Saturnus. De planeet stond zo gunstig ten opzichte van de aarde dat hij hem kon vastleggen met een spiegelreflexcamera en een 500mm-lens. Zijn foto kan natuurlijk niet tippen aan de kleurrijke plaatjes die je vindt als je googelt op ‘Saturnus’. De planeet beslaat op de foto ook slechts een paar pixels, maar het is écht Saturnus, je kan de ringen eromheen zien, dat maakt het toch bijzonder. Ik kan niet over mijn fascinatie voor de ruimte schrijven zonder aan mijn vader te denken.

Tegenwoordig is hij doctor in de Natuurkunde, nog altijd werkzaam in het vakgebied, bij ASML in Veldhoven. Maar als achttienjarige student was dat slechts zijn minor. Zijn hoofdvak was Sterrenkunde. Pas toen bleek dat zijn talent meer bij de Natuurkunde lag, draaide hij de twee om. Natuurkunde werd uiteindelijk zijn werk, Sterrenkunde zijn hobby.

Ik heb de exacte vakken altijd gemeden. Op de middelbare school koos ik zo gauw dat kon voor een profiel met zoveel mogelijk cultuurvakken. Later, tijdens mijn studie Nederlands, sowieso al een van de weinige studies waar statistiek geen verplicht vak is, koos ik de richting van de literatuur, misschien wel de minst exacte van alle richtingen. Ik heb altijd gezegd dat ik het gewoon niet kon, die exacte vakken, en hoewel mijn middelbareschoolrapporten dat onderstrepen, denk ik dat ik die keuzes ook maakte om me af te zetten tegen mijn vader.

Soms lijkt het een fundamenteel verschil. Hij ging studeren om de ruimte te begrijpen in formules, ik studeerde literatuur en schrijf fictie. Hij tuurt door een telescoop of de lens van zijn camera, ik kijk naar Interstellar, een film van Christopher Nolan over een ruimtereis die onmogelijk te maken is. De bureaubladachtergrond van mijn laptop is al jarenlang een foto van 67P/Tsjoerjoemov-Gerasimenko, een komeet met een diameter van 4 kilometer die net als wij rond de zon draait, gemaakt in 2014 door de ESA-ruimtesonde Rosetta. Ik vind het een machtige foto om naar te kijken, door de lichtinval, de vorm van de rots, maar vooral doordat het een haarscherp beeld is van een komeet zo ver weg. Het is een prettig idee dat die komeet op de achtergrond zweeft terwijl ik mailtjes beantwoord of belastingaangifte doe.

Tegelijkertijd is het een goed voorbeeld van hoe ik me verhoud tot de ruimte. Het is mijn achtergrond. Ik kijk er graag naar, maar ik ben niet per se geïnteresseerd in de chemische samenstelling van die steen.

En toch, als mijn vader een foto van Saturnus stuurt, voel ik dat ik desondanks niet heel ver bij hem vandaan terechtgekomen ben. Hij gebruikt formules en ik verhalen, maar we kijken allebei met bewondering naar boven.

Het moment dat ik daar het meest van doordrongen was, was toen hij foto’s liet zien van een reis naar de Verenigde Staten die hij samen met mijn moeder gemaakt had. Eén van de redenen dat ze die reis maakten, was het eclipspad van de totale zonsverduistering van 2017, dat over een aantal Amerikaanse staten trok. Op een van de vele foto’s en filmpjes die mijn vader gemaakt had – hij had zich goed voorbereid met meerdere camera’s en standpunten – was te zien hoe hij, samen met mijn moeder en een aantal Amerikanen, door een eclipsbril naar boven keek en zag hoe de maan langzaam voor de zon trok en het een paar minuten donker maakte op aarde. Ik zag dat hij ontroerd raakte, overdonderd was, hij had zijn handen voor zijn mond.

En ik herkende die ontroering: het moment dat de grootsheid van het heelal opeens tot je doordringt en je uit het lood slaat. Toen ik hem ernaar vroeg, leek hij door het filmpje opnieuw ontdaan. Hij was even sprakeloos, en zei toen: „Dat je alles ver van tevoren kunt uitrekenen, en dat het dan ook zo gebéúrt. Dat is iets magisch.”

Hij liet ook foto’s zien van de Barringerkrater in Arizona, die mijn ouders tijdens diezelfde reis bezochten. Het is een enorme krater met een diameter van ongeveer 1,3 kilometer, die ontstond door de inslag van een meteoriet met een diameter van 50 meter en een gewicht van 300.000 ton, zo’n 50.000 jaar geleden. Nadat mijn vader vol verwondering had gesproken over die krater, en we samen met oh’s en ah’s door de foto’s heen waren gegaan, nam mijn moeder het woord.

„Er is daar verder niets hè”, zei ze, naar de foto’s wijzend, de frustratie nog vers op de tong. „Drie uur rijden, je gaat de snelweg af en uiteindelijk is daar alleen maar een heel groot gat in de grond.”

Ik denk dat die opmerking exemplarisch is voor reizen, en de spanning tussen verbeelding en werkelijkheid. Voorafgaand aan een reis heb je altijd een idee van hoe het ergens anders zal zijn, maar wat doe je als je er eenmaal bent? Reis je om verrast te worden? Of wil je vooral dat de reis voldoet aan wat je bedacht hebt?

Teleurstelling ligt altijd op de loer, bedenk ik op mijn eigen ruimtereis, in de stoptrein van Deutsche Bahn richting Glanerbrug. Je kan er ter plekke altijd achter komen dat de realiteit minder interessant is dan het verhaal in je hoofd. Dat er niets is, alleen een heel groot gat in de grond.

In Glanerbrug wordt er vrijwel meteen naar me getoeterd. Er staat een auto van de plaatselijke brandweer te wachten. Ik stap op de auto af, doe de deur open, geef de bestuurder een hand en ga zitten op de bijrijdersstoel.

Het zit zo: de Glanerbrug stortte neer op zaterdagavond 7 april 1990 en viel door het dak van het huis van de familie Wichmann. De familie was op dat moment niet thuis, maar vond de meteoriet de volgende dag op zolder tussen gruis en stukjes dakpan. Er zat een gat in het dak. Ze dachten eerst aan vandalen en belden de politie. Uit het onderzoek dat volgde, bleek dat het een meteoriet betrof.

Het is het meest beeldende verhaal van de zes Nederlandse meteorieten, vind ik, een stuk steen uit de ruimte dat een huis binnenvalt, maar net als bij de andere is ook hier het gevaar dat uiteindelijk alleen het verhaal overblijft. De meteoriet ligt inmiddels in Naturalis, het getroffen huis is afgebroken. Wat Glanerbrug onderscheidt van die andere verhalen, is dat er iets voor in de plaats is gekomen.

Op 7 april 2015, vijfentwintig jaar na de val, werd vlak bij de plek van het huis een zwerfkei neergelegd, ter nagedachtenis aan de meteoriet. Voor zover ik weet is op geen van de andere plekken iets vergelijkbaars gedaan. Ik stuurde een van de twee initiatiefnemers een bericht op Facebook, of ik hem mocht vragen waarom hij het initiatief genomen had. Zijn naam is Joan Oldersma en ik mocht het hem best vragen. Hij stelde zelfs voor me op te halen van het station.

„Ik weet niet wat je al weet over Glanerbrug”, vraagt Joan terwijl hij de auto in beweging zet en het dorp „een geschikte plek voor handel” noemt. Het duurt net iets te lang voor ik begrijp dat het een eufemisme is voor de drugsoverlast in de grensplaats. „Maar ach”, zegt hij. „Iedere stad heeft wat.”

Niet veel later zet hij de auto alweer aan de kant, op een schijnbaar onbeduidende lege plek tussen een weiland en een aantal sportvelden in.

„Dat is ’m dan”, zegt Joan terwijl we samen op een grote steen aflopen. Op een plaquette op de steen staat: Glanerbrug meteoriet. Op 7 april 1990 sloeg om 19:32 uur een meteoriet door het dak van een woning aan de Gronausestraat. Met daaronder het type, de soort, het gewicht, de coördinaten en de datum van het neerleggen van de gedenksteen: 7 april 2015, 25 jaar later.

„We mochten onze namen er niet op zetten”, zegt Joan. Daarna wijst hij naar twee sterretjes die tussen de tekst in de plaquette gegraveerd staan. „Eén voor Louis en één voor mij.” Henk Louis Maas is de andere initiatiefnemer voor het neerleggen van deze steen. Louis is er vandaag niet bij; hij is in Japan.

Joan vertelt beeldend over de geschiedenis van de kei. Dat ze een klein budget kregen van de gemeente, de steen uitkozen bij een bedrijf genaamd Sesam, in de Enschedese haven, en ’m een jaar later met behulp van vrienden van de Brandweer hier neerlegden, op kleine afstand van waar ooit het huis van de familie Wichmann stond. De burgermeester was erbij, maar ook „kopstukken uit het wereldje” zoals eerdergenoemde onderzoeker Marco Langbroek. Daarna proostten ze erop. Een mooi moment, vertelt Joan, die opnieuw begeesterd raakt als hij erover vertelt.

„Geen idee hoelang dit nog zal blijven liggen”, zegt hij. Er is nog altijd niets in de plaats gekomen voor het afgebroken huis, misschien zal de steen ooit moeten wijken. Hij loopt eromheen en veegt een paar bladeren weg met zijn schoen. Onder de bladeren, half begraven onder de steen, ligt een stalen buisje. „Geocaching, ken je dat? Een soort speurtochten. Die verstoppen hier hun schat.”

Een zwerfkei. Ik vind het een mooie symbolische keuze om een meteoriet te herdenken: uiteindelijk ook gewoon een zwerfkei, zij het over iets grotere afstanden. Tegelijkertijd is het niet meer dan een steen in het gras. Het huis is weg, de meteoriet ook.

Ik maak een aantal foto’s van Joan en de kei. Ondertussen begint het te regenen. Achter ons rijden auto’s voorbij over de Gronausestraat.

Even later drinken we koffie in De Brasserie Glanerbrug. Ik vraag waarom ze het initiatief namen voor een gedenksteen. Joan woonde nog niet in Glanerbrug tijdens de inslag, de meteoriet kwam pas in zijn leven toen hij verhuisde en bij de plaatselijke Brandweer terechtkwam. Daar ontmoette hij de zoon van de familie Wichmann, die hem de officiële documentatie van de inslag schonk.

Joan haalt de documentatie uit een plastic tas. Er staan foto’s in van het gat in het dak, het gruis op de zolder. „Dit hadden ze gewoon ergens in een laatje liggen”, zegt hij. „Ik zou alles hebben bewaard. De dakpannen, ik zou het gat uit het dak gezaagd hebben om het tentoon te stellen.” Hij denkt dat een meteoriet tegenwoordig niet meer door een dak zou kunnen vallen. Moderne daken zijn te sterk.

Uit de tas haalt hij ook een fotoboek, dat begint bij de eerste krantenberichten over de inslag en eindigt bij het meest actuele nieuwsbericht waarin de gedenksteen te zien is, met de kop: ‘Varkenskoppen trekken aandacht op Esmarkerveld in Enschede.’ Op de plek waar vroeger het huis van de familie Wichmann stond, zou een asielzoekerscentrum komen. Na hevige protesten in de buurt werd ervan afgezien. Een van de varkenskoppen was neergelegd op de gedenksteen. „Ze wisten waarschijnlijk niet dat het een monument is”, zegt Joan.

Ik merk dat ik op zoek ben naar een verhaal over zijn ontzag voor het grootse heelal, de ontroering die ik bij mijn vader zag terwijl hij naar de zonsverduistering keek. Maar Joan praat nuchter en praktisch over de steen. „Dat hebben Louis en ik toch maar voor elkaar gekregen”, zegt hij.

Ze zijn allebei ziek geweest. Louis aan zijn longen, bij Joan werd in 2012 darmkanker gediagnosticeerd, waar hij inmiddels door een chemokuur van genezen is. Joan zegt het zelf niet op die manier, maar ik kan me voorstellen dat de zwerfkei ook daarom belangrijk is voor hem. De steen ligt hier en zal niet zomaar verdwijnen.

„Hobby’s veranderen ook wel”, zegt hij. Hij geeft toe nauwelijks nog tijd voor Sterrenkunde te hebben. Naast zijn werk loopt hij tegenwoordig vooral veel hard in brandweerbepakking. Volgens Joan wordt dat in Nederland een beetje raar gevonden, maar over de Duitse grens is het heel normaal. Met de Gronause vereniging Club der Blauen Helme loopt hij wedstrijden voor het goede doel. Ik vraag waarom hij dat doet, en hij zegt: „Dat ze zeggen dat je het nooit meer zult kunnen, en dat je het dan toch kunt.”

Een ruimtereis trekt hem niet. Hij gaat graag naar Thailand. „De jungle in. Afgesloten van de wereld, geen mobiel, geen radio, verstand op nul.”

Er zit nog één ding in die tas, dat weet ik, en ik voel mijn hartslag stijgen als Joan het tevoorschijn haalt. Joan is in het bezit van een fragmentje van de meteoriet, dat destijds door de reparateur van het dak uit de dakgoot werd gevist. Het ligt in een wit watje, in een klein vierkant wit doosje, achter een stuk glas. Het lijkt net een korrel grind, op een klein zwart stukje smeltkorst na.

Ik mag het doosje even vasthouden. Het is de reden dat ik hier ben.

Dichter bij de ruimte kan ik op aarde niet komen. Het is bijna gewichtloos. 1,2 gram, staat er op een vergeeld labeltje op het glas. Ik denk aan de reis die dit zwerfkeitje heeft afgelegd, hoe het door die peilloze ruimte vloog, de aardse atmosfeer in, om als vuurbal vele kilometers over Duitsland te scheren en dan nét in Nederland te landen, een paar honderd meter over de grens.

Al die ruimte in mijn handen, miljoenen jaren onderweg naar deze plek, naar Glanerbrug. Was hij ergens anders gevallen, dan zat ik nu in een andere brasserie.

„Hoe voelt het om dit te hebben?” vraag ik.

Joan denkt even na en zegt: „Als ik het niet bewaard had, was het er al niet meer geweest.”

Uiteindelijk gaat hij hardlopen, en eet ik nog een broodje. Ik had hem gevraagd of ik nog iets anders kon doen in Glanerbrug, maar dit was het volgens hem wel zo’n beetje.

Ik vraag Ron en Metin, de kok en de eigenaar van De Brasserie, die aan een tafel naast me komen zitten, of ze net als ik graag een ruimtereis zouden maken.

„Weet je”, zegt Ron, „voor mij is een steen gewoon een steen.” Ook Metin haalt zijn schouders op. „Ik heb hoogtevrees.”

Ze zeggen het volgens mij om me uit te dagen, en ik ga er dankbaar op in. „Er is hier een steen uit de ruimte neergekomen”, zeg ik. „Dat is toch bizar, als je erover nadenkt?”

Metin lacht, en lijkt dan te besluiten dat hij mij mijn verwondering gunt. „Je hebt gelijk”, zegt hij. „Als je erover nadenkt, is het bizar.”