Opinie

Slap ouwehoeren als beste medicijn

Michel Krielaars

Onthoud wat ik u vertel en snel na afloop naar de boekhandel, want er is een belangrijk geschrift verschenen van veertig bladzijden dik, van een schrijver die in kort bestek het hele leven behandelt aan de hand van verhaaltjes die hij in ellenlange zinnen aan zijn zwarte kater Cassius vertelt en waarin alles, maar dan ook alles wat belangrijk is om in dit helse bestaan overeind te blijven, aan de orde komt, zoals liefde voor de verongelukte Alexander – Sasjenka – Dubcek, de Tsjechische politicus die hem tijdens de Praagse Lente van 1968 een orde opspeldde omdat hij een prijs had gekregen voor zijn verfilmde roman met de titel Zwaarbewaakt transport, waarin de held, een perronchef, tijdens de Tweede Wereldoorlog voor een hoger doel werd opgeblazen, een held die hem overigens deed denken aan diezelfde Sasjenka over wiens dood hij op de Weense radio in een Franstalige nieuwsuitzending hoorde, waarna die radio meldde dat op de televisie de Tweede Symfonie van Mahler zou worden uitgezonden, wat hem weer herinnerde aan de film Der Tod in Venedig, waarin Mahlers Vierde Symfonie als muziek werd gebruikt(*), een film die hem opnieuw deed rouwen over de dood van de door hem bewonderde Sasjenka, zijn idool, die hem ooit in zijn Praagse stamkroeg De Tijger zocht terwijl hij er zelf niet was, wat hem een schuldgevoel bezorgde omdat hij ervan overtuigd was dat als hij er wél was geweest en hij met Sasjenka gesproken had, dit gesprek misschien wel een vlindereffect zou kunnen hebben gehad dat zijn hele lot zou hebben veranderd zodat Sasjenka nog onder de levenden zou zijn geweest.

U begrijpt, ik heb het over de Avondverhaaltjes voor Cassius de kat van de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal. Hij is al jaren dood (in 1997 viel of sprong hij, het leven en het bier zat, uit het raam), maar iedere tekst die zijn vertaler Kees Mercks publiceert maakt me tien jaar jonger, alsof Hrabals surrealistische humor botox voor de ziel is die alle rimpelingen van verdriet eruit perst.

In het verhaaltje dat begint met ‘Hé, Cassius, hé, gabber, toen ik …’ haalt Hrabal herinneringen op aan zijn tijd als perronchef, toen hij keer op keer het fluitje kwijtraakte waarmee hij het vertreksein van een trein moest blazen. Uit wanhoop begon hij maar op zijn vingers te fluiten. Het verleidde reizigers om speciaal langs zijn stationnetje te rijden om dat vingerfluiten aan hun kinderen te laten zien. Zoals ze jaren later per bus langs zijn buitenhuis reden om te zien hoe zijn twaalf poezen hem opwachtten: ‘ze lopen me tegemoet, Sinaasappel en Inktlap voorop en jij Cassius, loopt in de achterhoede, jij hebt Rangdistanz…’ En dan vertelt hij Cassius over meneer Vanicek, die na zijn werk altijd heel lang op het erf zijn handen stond te wassen en riep: ‘En ze neukten in de keuken’. Van schrik sloten alle omwonenden hun ramen. Een van die buren zei dat ze dit alleen maar deed vanwege haar dochtertje van vijf. Over haar man bekende ze dat die om Vanicek moest lachen en dan zei ‘God geve dat het er bij ons ook nog ’ns van komt.’

Iets verderop vertelt Hrabal naar de kapper te gaan als hij depressief is. In de kappersstoel wordt hij overvallen door schuldgevoel over een vrachtwagen vol slachtkalveren ‘met honderden starende kalverogen … al die kalverogen smeekten om medelijden … maar niemand kon hen helpen, ook ik niet.’ En dan klinkt op de achtergrond Mahler, terwijl mooie leerlingkapsters om hem heen dansen. Het is het leven in al zijn kleuren.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.