Ooit stroomde hier de zee

Van toen naar nu Hoe voelt het om op het oudste stukje land in Nederland te wandelen en in verschillende etappes door de tijd te lopen? Aflevering één: de 330 miljoen jaar oude Heimansgroeve in Epen.

Foto Merlin Daleman

De tijd heeft hier stilgestaan, zegt de VVV. Dat is gelukkig niet echt zo, want dan zouden hier nu geen witte vakwerkhuisjes tussen de heuvels liggen en was dit een kustvlakte waar de zee het af en toe wint van het land. Dan zou Zuid-Limburg nog steeds ter hoogte van het huidige Congo liggen, en leefden we in het late Carboon, een jaar of 300 miljoen geleden. Al is dat ‘we’ natuurlijk ook onzin, omdat het dan nog een kleine 299 miljoen jaar zou duren voordat homo erectus zich vertoont.

Nederland – ‘Nederland’ – is zo oud als de wereld; onze diepe ondergrond is een lasagne van een paar miljard jaar oud. Maar aan het oppervlak vind je geen oudere sporen dan die uit het late Carboon.

Hoe voelt het, vroeg ik me af, om in etappes te wandelen van ‘toen’ – via Trias, Jura en Krijt en die andere geologische tijdvakken – naar het relatieve ‘nu’ van het Holoceen, dat na de laatste ijstijd begon, krap twaalfduizend jaar geleden?

Voor de eerste etappe gaan we naar de oudste bovengrondse steenformatie van Nederland: de Heimansgroeve aan het riviertje de Geul bij Epen, 330 miljoen jaar oud. We willen er rond lunchtijd aankomen.

We beginnen op de Eperheide, waar ’s zomers de schapen grazen die nu tot eind maart op stal staan om te lammeren. Met hun gemekker in de oren lopen we in zuidelijke richting het bos in, waar we na wat zigzaggen het Krijtlandpad vinden en de stilte weerkeert. De lucht is blauw, oranje licht in een kathedraal van beuken, ijs op de plassen langs het pad.

Dit bos heet het Onderste Bos, dat zonder opgaaf van redenen overgaat in het Bovenste Bos. Als we de rand bereiken, kijken we uit over een ondiep dal waar in het midden de Geul moet stromen, met de Heimansgroeve ergens aan de overkant. We besluiten het gemarkeerde pad te verlaten voor een kortere doorsteek: heuvelop- en dan -afwaarts.

Toch moeten we even later alsnog de weg vragen – aan een oude dame die uit het niets opduikt in een holle weg. De groeve? „Ja, ga maar fijn kijken”, zegt ze cryptisch.

Dat is nu net het probleem. Wat moet je zien? Kijk je met het oog van, zeg, een historicus, of een boer, een planoloog, een toerist, of de man van het Limburgs Landschap die de beverburchten in de Geul moet tellen? Wat kan ik zien aan die Heimansgroeve, vraag ik me ook af als we er eenmaal in staan, na nog een kilometer of wat glibberen over ontdooide modderpaadjes.

Ik wéét dat hier al eeuwen steen is gewonnen als bouwmateriaal, en ook dat de groeve in 1936 is uitgebreid om de geologische structuur beter te kunnen bestuderen. Ik wéét dat de groeve is vernoemd naar Eli Heimans (1861-1914), natuurbeschermer en kompaan van Jac P. Thijsse (net als hij onderwijzer), en die in zijn boekje Ons Krijtland (1911) schreef over „de steile wanden van deze open grot”, met glimmend zwarte steen, „alsof het een pas opengehakte kolengroeve was, zoo versch en donker staan de blokken en staven en platen in alle richtingen dooreen.” En dat die „kolenlei” bestaat uit fossiel veen, met lagen zandsteen ertussen, die ooit het zand en slib was dat hier neersloeg als de laagvlakte door de zee werd overstroomd. Maar ik zie eigenlijk niks; ja, twee grillige rotswandjes en twee schuine, met gras begroeide terrassen waarachter nog meer steenlagen moeten zitten. De aantrekkingskracht is geheel en al te wijten aan het idéé dat dit geen gewone steengroeve meer is, maar een ‘geologisch monument’. Dat moet voor meer bezoekers gelden. Overal zijn stukjes afgebikt en losgewrikt. Ik doe hetzelfde. Het idee iets van 300 miljoen jaar oud in je jaszak te hebben.

En als we verder wandelen zie ik wat ik al die tijd al had kunnen zien: het ene vakwerkhuis na de andere boerderij blijkt een of meer muren te hebben die uit het bruine en grijze „carboonsche breuksteen” is opgetrokken in de lange tijd voordat die groeve een monument was.