IJstijdjagers hadden bijzondere band met raven

Archeologie In een IJstijdgrot in de Ardennen zijn 37 soorten vogels gevonden. Ze werden gegeten. Raven hadden ook symbolische waarde.

Ongeveer 14.000 jaar geleden hebben jager-verzamelaars in de Trou de Chaleux, een grot bij Dinant, veel verschillende soorten vogels gegeten. Maar ook kenden ze aan sommige soorten, zoals de zwarte raaf, een symbolische waarde toe. Dat concluderen onderzoekers van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen in de Journal of Archaeological Science: Reports.

De grot bij de rivier de Lesse is al in 1865 ontdekt en onderzocht door de Belgische geoloog Édouard Dupont, die zijn aandacht vooral richtte op stenen werktuigen en botten van zoogdieren. Nu zijn eindelijk ook de vogelbotten in detail bestudeerd. Terwijl in Zuid- en Midden-Europa al vaker vogelresten in laat-paleolithische vindplaatsen zijn gevonden, komen dergelijke vindplaatsen in Noordwest-Europa tot nu toe weinig voor. Er zijn er twee bekend uit het gebied rond Parijs en twee in Rijnland-Palts. De ruim vijfhonderd fragmenten in de Belgische grot blijken aan 37 soorten toegeschreven te kunnen worden. De sneeuwhoen en patrijs kwamen het meeste voor. Maar ook waren er eenden, ganzen, zangvogels (lijster) en roofvogels (steenarend). De omgeving moet dus een toendra-achtig gebied zijn geweest, met enkele poelen, meren en bosschages.

Bij alle soorten zijn snijsporen gevonden die er op wijzen dat ze verwerkt zijn om als voedsel te dienen. Aangezien het aantal vogelbotten ongeveer de helft is van het totale aantal dierenbotten in de grot waren vogels een belangrijke voedselbron. Botten van vogels kleiner dan lijsters ontbreken en daarom nemen de onderzoekers aan dat de jager-verzamelaars bewust alleen op grotere vogels jaagden, omdat die meer vlees opleverden. Waarschijnlijk maakten ze voor de jacht gebruik van netten en vallen. Ganzen, die de gewoonte hebben om in grote groepen neer te strijken, waren in de nazomer gemakkelijker te vangen, omdat ze dan ruien en nauwelijks kunnen vliegen.

Opvallend is dat de grotgebruikers van de vleesrijke ganzen vooral de vleugels gebruikten. Ze trokken de veren uit en maakten van botten naalden. De ellepijp gebruikten ze mogelijk als een soort rietjes, getuige de afdruk van menselijke tanden in een exemplaar. Terwijl vogels ook in Zuid- en Midden-Europa op het menu stonden, lijkt de speciale belangstelling voor ganzenvleugels typisch iets voor Noordwest-Europa.

De zwarte raaf werd niet alleen gegeten, maar had ook een symbolische waarde. Dat leiden de onderzoekers af uit het feit dat bij hem tenen zijn verwijderd. Uit etnografisch onderzoek is bekend dat de raaf bij arctische volkeren een speciale plaats heeft in mythen. De symbolische betekenis van de raaf in het Paleolithicum blijkt ook uit de ravenkop die in het Duitse Gönnersdorf speciaal is gedeponeerd.

In de grot zijn ook de bewerkte klauwen van een arend en een sneeuwuil gevonden. Gebruikssporen wijzen erop dat ze waarschijnlijk als amulet zijn gedragen. In de grot is ook een kleine in ivoor uitgesneden vogel gevonden, net als bij de twee Duitse vindplaatsen. Het geeft nog eens aan dat vogels een belangrijke rol speelden bij de jager-verzamelaars in Noordwest-Europa.