Opinie

Gebrek

Ellen Deckwitz

Het aardige van angst is dat je er zelden moeite voor hoeft te doen: hij dient zich doorgaans vanzelf aan en dan ook nog eens gratis. Als orgasmes even makkelijk te verwekken waren was het leven één groot feest, maar helaas, en zo lag ik gisternacht in bed terwijl de vrees door me heen stuiterde als een Freek Vonk op een pogo-stick.

Talloze noodscenario’s daverden als op hol geslagen hazen door mijn lijf. Vermoeid belde ik mijn zus, want die slaapt toch nooit.

„Waarom bel je me wakker?”, zei mijn zus.

„Ik heb last van angst.”

„Is er een directe aanleiding?”

„Nee, ik ben bij mijn weten momenteel erg gelukkig, alles is op orde.”

„Dan is het gewoon je onderbewustzijn”, zei ze en hing op.

Ik voelde hoe mijn rug een tweede huid aan zweet afscheidde terwijl de ene na de andere paniekerige gedachte zich opstapelde: dat mijn moeder opeens kon sterven, dat ik een hersenbloeding kon krijgen, dat de nieuwe Filosoof des Vaderlands Dave Roelvink was. Er waren zoveel angstscenario’s dat er niet tegenop te redeneren viel. Het advies dat mijn zenmeester, voor ik hem ontsloeg, me altijd gaf voor dit soort gelegenheden was dat je gewoon even in het hier en nu moest gaan zitten, lekker in het moment en meer van dat soort theezakjeslabelwijsheden die niets helpen wanneer je lijf wordt doorzeefd met een trommelvuur aan cortisolsalvo’s en je niet kan ophouden met je voor te stellen in wat voor diverse soorten gevaar je verkeert. Ook al is er eigenlijk helemaal niets aan de hand en loopt je onderbewustzijn gewoon weer eens moeilijk te doen. En toen was er opeens een inzicht dat me helemaal kalmeerde.

‘Wat nou weer?”, zei mijn zus toen ze opnam. „Ik denk dat ik eruit ben”, schreeuwde ik opgewekt in haar oor, „ik zie mijn emoties als iets waar ik als een soort Sherlock Holmes de aanleiding bij moet zoeken, terwijl emoties soms ook aanleidingloos kunnen zijn, net zoals een ochtendhumeur of meligheid!”

Mijn zus gooide de hoorn erop en vrolijk legde ik de telefoon weg. Zwaar in mijn sas dacht ik aan de Duitse dichter Christian Morgenstern, die eens schreef dat de fantasie een geschenk van de goden is, maar een gebrek eraan ook. En dat zonder dit gebrek de mensheid de moed om voort te leven allang had verloren. Wat was ik in mijn nopjes dat ik weer de moed had om voort te leven. Zag mij daar nou gewoon doorgaan met ademen en hoe daar, ondanks mezelf, maar geen eind aan kwam.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.