Maarten van der Graaff

Fotografie: Lars van den Brink

Interview

‘Het idee om van de Randstad één metropool te maken vond ik dreigend en grotesk’

Maarten van der Graaff Voor zijn nieuwe dichtbundel Nederland in stukken putte Van der Graaff inspiratie uit andere poëzie, maar ook uit beleidsstukken. Bijvoorbeeld over de ‘Deltametropool’. „Ik denk meteen: wat is daar voor geweld gepleegd?”

Je kunt de titel van de nieuwe dichtbundel van Maarten van der Graaff (1987) lezen als een verwijzing naar het monster van Frankenstein. Nederland in stukken – als een monster dat uit ‘stukken’ bestaat. „Dat idee kwam mede voort uit wat ik las bij de Russische dichter Kirill Medvedev, in de bundel Alles is slecht. Daar schrijft hij dat de Russen van nu Frankensteins zijn, de Russische identiteit is een samenstelling van verschillende dode tradities.” ‘Het nationale cultuurbewustzijn is een stinkend moeras’, staat in het essay, ‘half Sovjet en half bourgeois, waarin de lijken van Poesjkin, Dostojevski, Jozef Stalin, Alla Poegatsjova en Jezus Christus liggen te ontbinden.’

„Een identiteit als een composterend, rottend geheel!” Van der Graaff glundert als hij erover praat, op een regenachtige ochtend, wandelend door Utrecht. „Ik denk dat het zulke beelden zijn die me naar die ‘stukken’ hebben gedreven. Naar de vraag: hoe zou dat voor Nederland zijn, welke figuren liggen er naast elkaar te rotten? Welke delen van het politieke en sociale weefsel kun je hier onderscheiden?”

Nederland in stukken kwam ook voort uit ‘stukken’ in de zin van documenten. „Ik denk niet dat er één beginpunt is, want eerst klooi je maar wat aan en pas later orden je al die beginnetjes en vorm je een ontstaansgeschiedenis – maar het begint ook bij de sluiting in 2015 van De Rooie Rat, een linkse boekhandel in het centrum van Utrecht. Een van de vele oude winkels die moeten wijken uit de stadscentra, maar dit kreeg voor mij een symbolische lading. Ze hadden daar veel tweedehands boeken, een uitgebreide afdeling filosofie, gestencilde pamfletten, anarchistische blaadjes. Ik kocht een deel van hun inboedel, omdat ik benieuwd was: die politieke taal uit die oude brochures en studies, hoe zou je die op het heden kunnen betrekken? Wat zou je daaruit kunnen plukken dat licht op het Nederland van nu werpt?”

Dat past in het straatje van Maarten van der Graaff, een van de meest toonaangevende jonge dichters van nu en medeoprichter van het online literaire tijdschrift Samplekanon. Zijn poëzie staat bol van invloeden en allusies en engageert zich met zowel binnen- als buitenwereld. Dat bereikt hij door tekstfragmenten uit allerlei contexten mee te laten zingen.

Eerst maar eens de buitenwereld. Het gaat in de bundel over hoe Nederland gevormd is. Door ideeën, zoals uit een beleidsdocument over de ‘Deltametropool’, een term uit de ‘Vijfde Nota ruimtelijke ordening’ van bijna twintig jaar geleden. In de bundel richt Van der Graaff zich tot die Deltametropool, en weegt de term. ‘Klinkt als onhandige scifi./ Het maakt je grappiger. Megalomaan. Die naam is alweer/ ouderwets, maar laadt je op met geweld. Je verledens.’

Waarom bleef dat hangen, die Deltametropool?

„Het was de ambitie om de Randstad en omliggende steden te verenigen onder die noemer, om te concurreren met Europese metropolen. Grotesk vond ik, maar ook dreigend, ik zie dan meteen een onpersoonlijke sciencefictionstad voor me.”

En je ziet het als een gewelddadig idee?

„Ja, ik denk meteen: wat is daar voor geweld gepleegd? Centralisatie en schaalvergroting zijn grote gelijkmakers, ze strijken verschillen glad. Ik denk dat je daarmee de werkelijkheid geweld aandoet. Uiteindelijk gaat het over de winst die het zou kunnen opleveren.”

Het doet de mensen geweld aan omdat het van bovenaf opgelegd is?

„Wanneer je geen oog hebt voor het particuliere en lokale, maar ergens boven gaat zweven en het beziet als een economisch gebied, heeft dat invloed op de grond. En het woord ‘metropool’ gebruik je ook voor centra die koloniale relaties aangaan.”

De koloniale geschiedenis ging meezingen?

„Ja, want ik las niet alleen beleidsstukken, maar ook bijvoorbeeld de poëzie van Michaël Slory, de grote Surinaamse dichter. Hij heeft geschreven over de bouw van de Afobakadam in de Surinamerivier in de jaren vijftig en zestig, voor de bauxietwinning. Voor het stuwmeer dat daar kwam zijn dorpen vernietigd en duizenden Marrons verdreven. Slory schrijft hoe dat bauxiet, hij noemt het ingewanden, werd weggeroofd. Heel heldere, klinkende poëzie: hij schrijft over ‘de opengesperde muil/ van het mineraal’. Dat citeer ik ergens.”

Waarom wilde je die geschiedenis laten echoën in je bundel?

„Ik vond het een interessante manier om extractie, koloniale politiek en Nederland met elkaar te verbinden. Je verdrijft mensen uit hun leefgebied en compenseert ze met een schijntje – dat geeft Slory sterk weer. En de invloed van Nederland houdt niet op bij de landsgrenzen. Daarbuiten ligt ook een deel van ons verleden. Dat speelt allemaal mee als je de vraag stelt: hoe moet je kijken naar de plek waar je woont?”

Een van de boeken uit de boedel van De Rooie Rat ging over communes in Nederland. „Een studie naar waar die zich bevonden, waar ze voor stonden, hoe ze functioneerden, dus ook over hoe het leven georganiseerd kan worden, anders dan in de vorm van het kerngezin. Er stonden grappige, aansprekende dingen in: ‘Het is niet makkelijk om elkaar vriendelijk aan te kijken als je probeert te overleven in de carrièrestrijd’. Door die formuleringen is het wat ouderwets en vervreemdend, maar het is geen verouderd thema.”

Van der Graaff zoomt weer even uit: „Ik schreef zinnetjes over. Dat soort fragmenten en ideeën gaan dan bewegen, borrelen, ‘rotten’ op een productieve manier. Het gaat telkens over de vraag: welke dingen uit het verleden etteren nog?”

Lees ook: Vijf ballen voor de laatste roman van Maarten van der Graaff

Waarom vond je die vraag zo belangrijk?

„Steeds meer mensen stellen die vraag en dat heeft ook invloed op mij. Weinig dingen zijn zo belangrijk als je afvragen welke archieven gebruikt worden.”

Want: welke archieven je gebruikt bepaalt welke kennis je hebt?

„Het bepaalt welke verledens nog bestáán en welke worden weggedrukt. Als je iets wegdrukt kan dat gaan etteren. Sterker: dan kun je geweld in stand houden. Kijk maar naar onze op z’n minst moeizame omgang met de koloniale geschiedenissen van Nederland. Er komt ondertussen wel steeds meer aan het licht over doofpotten over Indonesië.”

Die verledens, het heden en de toekomst uit ‘visionaire’ documenten worden in de gedichten vermengd, waardoor Nederland in stukken iets van sciencefiction heeft. Daartussendoor manifesteert de dichter zich, die de boel verzamelt, selecteert, losknipt en aan elkaar naait, onder andere in zijn ‘Word-document Nederland’. Het idee dat het leven wel even in een Word-documentje te vangen is, leidt tot een reeks extreem gefragmenteerde gedichten.

Alsof je daarin allemaal brokjes data over ons uitstort. Wat wilde je daarmee laten zien?

„Data is synoniem voor macht geworden, omdat je door veel informatie te verzamelen populaties kunt beheersen. Maar een hoop data leidt nog niet meteen tot kennis of inzichten. Daarvoor moet eerst nog iets gebeuren. Ergens is dat ook het onvermogen van de dichter…”

Seksueel geweld hangt samen met hoe we de wereld hebben ingericht

Onvermogen? Vermogen toch: de dichter selecteert en legt zinvolle verbanden?

„Ja, maar daarvoor moet je door een potentieel overweldigende hoeveelheid informatie heen graven. Het idee van poëzie is dat je daarin onderzoekt hoe je voelen en denken in taal kunt weergeven, zonder het tot iets hapklaars te reduceren. Tegelijk probeer je dat zo gecomprimeerd mogelijk te doen – ik wil jou geen boek van 700 pagina’s voorschotelen om je maar te laten ervaren hoe moeilijk het is om een berg informatie te ordenen.”

Maarten van der Graaff Lars van den Brink

Je toont dat iedereen dat ordenen van informatie op zijn eigen manier doet? En dat dat je blik op de werkelijkheid kleurt?

„Je bent meer dan een geest die door de documenten zweeft, inderdaad. Ik heb ook geprobeerd mijn eigen bestaan niet weg te moffelen, ik denk dat literatuur altijd een verslaglegging is van je leven. Niet dat je de bundel moet terugbrengen tot autobiografie: met het openingsgedicht heb ik ook geen particulier verhaal willen inbrengen waarvan men zou zeggen: ‘och’, en ‘wat naar’, en ‘gut’.”

Dat gedicht heet ‘Contract tussen man en jongen’ en toont dat een man en een jongen juridisch afkaarten hoe ze beiden akkoord gaan met een aanranding in een Frans grasveld, en de verwerking daarvan. ‘[D]e jongen verbindt zich zijn toegeeflijkheid/ als medeplichtigheid te interpreteren/ al is de jongen volgens de wet niet in staat/ in te stemmen met de handelingen’.

„We zien het natuurlijk als immoreel om een aanranding in een contract te gieten. Tegelijk is seksueel geweld een structureel verschijnsel. Niet een jammerlijk incident, maar iets dat samenhangt met hoe we de wereld hebben ingericht. Dat liet Marwin Vos heel interessant zien in haar dichtbundel het leven van sterren van een paar maanden geleden: ‘oorlog en verkrachting zijn de publieke en privévorm van georganiseerd/ sociaal geweld en ze dienen ter inwijding in het geweld van de/ samenleving’. Van mijn ervaring – want dit is gebaseerd op iets wat ik heb meegemaakt – kun je, op een perverse manier natuurlijk, een contract maken voor wat heel veel mensen overkomt.”

Je zegt: ik heb die aanranding niet bedacht?

Met een grimmig lachje: „Nee, van aanrandingen zijn er al genoeg, dacht ik zo, daar hoef je er geen meer bij te bedenken. Maar het gaat me om de stap daarna: hoe kun je dat in literatuur introduceren. Literatuur is voor mij niet het verhaal van individuen, poëzie geen gevoelsuitstorting van een eenzaat, maar de vraag naar wat je kunt ervaren, zien, voelen, denken in de taal die van iedereen is, en hoe dat individuele zich verhoudt tot het politieke.”

Je zoekt telkens nieuwe verbindingen – net als in je roman ‘Wormen en engelen’.

„Ja, in zekere zin ging de roman over bestaande verbindingen in twijfel trekken en bekijken hoe je je anders kunt verbinden.”

En, ben je er al uit?

„Nou, bij verbinden bestaat het gevaar dat je in slappe sociaaldemocratische retoriek vervalt, en dat het uitdraait op repressie en assimilatie. Ik ben meer voor allianties. Daarbij moffel je verschillen niet weg, wis je elkaars individualiteit niet uit. Want dat is een gewelddadige benadering van sociale vraagstukken.”