Alleen op mijn rots begrijp ik de Noren

De juiste plek Waar voel je je thuis in den vreemde? NRC-correspondent Caroline de Gruyter over een rots in Oslo.

Foto Caroline de Gruyter, bewerking NRC

Mijn favoriete plek in Oslo is een rots. Een doodgewoon stuk rots, op schiereiland Snaroya, even buiten de stad. Het enige wat er staat, is een houten picnicktafel. Eindpunt van bus 31.

Je komt niet naar Oslo voor kunst en cultuur, al zijn de musea voor de schilder Munch, beeldhouwer Vigeland (de ‘Rodin’ van Noorwegen) en toneelschrijver Ibsen zeker de moeite. Je komt evenmin voor de stedenbouw, al hebben wereldberoemde architecten hier hypermoderne hoogbouw neergezet – bijgenaamd „de streepjescode” – die toont hoe Noorwegen, dankzij de olie, in vijftig jaar tijd is veranderd van straatarm land in een van de rijkste, duurste landen op aarde. Je komt ook niet voor de Noorse cuisine, al is vis nergens zo vers als hier.

Nee. Je komt voor de fjord. En voor de panorama’s over de fjord. Die horen bij de mooiste van de wereld. Ze vertellen je meer over de Noren dan welke andere plek in Oslo ook.

De charme van de rots is de combinatie van weids uitzicht over het water, bij elk weertype, en de ongelooflijke transparantie van het licht. Links stortregent het op de wit-betonnen futuristische opera, terwijl zich rechts een fabuleuze zonsondergang voltrekt.

Lees ook: Duurzaam op vakantie? Dat kan best in Noorwegen

’s Winters wordt het om negen uur licht. Om kwart over drie schemert het al. In de stad is dat deprimerend: zelfs op heldere vriesdagen komt de zon niet boven de huizen uit.

Maar op mijn rots zijn geen huizen. Er is alleen horizon. Lang voordat het licht wordt, trekken er al scheuten licht door de allerdonkerste lucht.

In de fjord liggen eilandjes met houten zomerhuizen. Bewoners varen met sloepjes naar het vasteland. Elke paar uur passeren de ferries naar Kopenhagen en Kiel. Bij donker zijn het net drijvende kerstbomen. Ook onderzeeërs, fregatten en vrachtboten komen langs. En hele zeilscholen. ’s Zomers showen rijke Noren wie het poenigste jacht heeft. Soms ragt iemand zijn boot ’s nachts bij hoog water op rotspartijen in de fjord – te veel gezopen, waarschijnlijk. Hulpdiensten proberen hem vlot te trekken. In een land waar de kapper 200 euro rekent en je voor een glas slechte wijn 13 euro betaalt, moet dat een vermogen kosten.

Noren zijn maniakale buitenmensen. Elke vrije seconde spenderen ze in de natuur – skiën, rennen, varen. Op vrijdagmiddag rijdt iedereen naar zijn ‘cabin’. Het zijn freaks. Alleen op mijn rots begrijp ik ze. Beneden mij plakken mosselen tegen de rots. Krabbetjes zwemmen rond. Ik denk dat ik er ook even inga.