Opinie

Afrikaners

Mirjam de Winter

Leefbaar Rotterdam is op zoek naar verdwenen borstbeelden van Afrikaners. De partij stelde er afgelopen week schriftelijke vragen over aan het college. Of het gemeentebestuur weet wie verantwoordelijk is voor de verdwijning van de beelden in de Afrikaanderwijk? En of het stadsbestuur bereid is om te achterhalen waar ze precies gebleven zijn? De partij is bang dat ze „mogelijkerwijs ergens staan te verstoffen in een gemeentelijke opslag of instelling”, of erger nog. Het pand waar de borstbeelden op bevestigd waren – op de hoek van de Bloemfonteinstraat en de Bothastraat – is een aantal jaren geleden gesloopt. Misschien zijn ze tussen het puin op de vuilstort beland? Het zou de Leefbaren niets verbazen, want de stille verdwijning van de beelden is „tekenend voor het eroderend besef van cultuur en tradities”, zo betoogt Leefbaar in een schriftelijke toelichting aan het college.

De Afrikaanderwijk is tenslotte vernoemd naar „een aan ons Nederlanders verwant volk dat eeuwen geleden ons land verliet om een toekomst op te bouwen als pioniers in de Kaapkolonieën”. Volgens Leefbaar „cultuurgeschiedenis die gekoesterd moet worden en in de herinnering moet voortleven, bewaard en beschermd moet blijven.”

Op oude filmjes is te zien hoe ‘oom Paul’ door een enthousiaste menigte werd onthaald

Rotterdam was inderdaad de eerste stad met een ‘Transvaalbuurt’, met straten vernoemd naar leiders uit ‘Transvaal’, zoals de Zuid-Afrikaansche Republiek ook wel genoemd werd. In 1901, tijdens de Tweede Boerenoorlog, bracht Paul Kruger (als voormalig president van Transvaal en leider van de Boerenopstand tegen de Engelsen) een bezoek aan Rotterdam. Op oude filmjes is te zien hoe ‘oom Paul’ door een enthousiaste menigte werd onthaald. Nederlanders, inclusief het Koningshuis, sympathiseerden met de Boeren, die immers nazaten waren van Hollandse kolonisten. Na Krugers dood in 1904 besloot het stadsbestuur hem te eren in de naamgeving van een nieuwe wijk op Zuid. Straten werden vernoemd naar Zuid-Afrikaanse steden of kregen de naam van generaals en leiders van de Afrikaners, onder wie die van Paul Kruger zelf. Vijf van deze leiders werden vereeuwigd in borstbeelden op een pand aan de Bothastraat. Onder de bustes stond in gouden letters gescheven: „Honor Cui Honor” (ere wie ere toekomt).

Maar dat was toen. Net als met onze vroegere 'zeehelden', is er nu geen enkele reden meer om deze heren te eren. Het waren moordenaars, kolonialisten, racisten en grondleggers van de Apartheid bovendien. Tijdens de Zuid-Afrikaanse ‘witte beeldenstorm’ in 2015 werden hun standbeelden door zwarte activisiten omvergeworpen of beschadigd. Zelfs de directie van het wereldberoemde Krugerpark besloot het standbeeld van hun naamgever te verwijderen. Ook in Nederland verdween zijn naam van scholen, en in Rotterdam werd de Paul Krugerschool lang geleden zelfs al omgedoopt tot ‘De Fontein’.

Leefbaar Rotterdam heeft gelijk als het stelt dat je je eigen geschiedenis nooit moet verloochenen of wegpoetsen. Daarom werd indertijd, ondanks eerdere protesten, besloten om de straatnaambordjes in de Afrikaanderwijk niet te vervangen. Dus waarom – als het allemaal toch al zo gevoelig ligt – heisa schoppen over een paar verdwenen borstbeelden van een stelletje Zuid-Afrikaanse boeven uit begin vorige eeuw? Is het provocatie? Uit de schriftelijke toelichting van Leefbaar Rotterdam blijkt nog een ander motief: „Tevens zijn wij van mening dat de banden tussen Afrikaners en Nederlanders gekoesterd moeten worden, zeker nu Afrikaners door geweld en raciale wetgeving een onzekere toekomst tegemoet gaan.” En dat zonder in het hele betoog ook maar één woord te wijden aan de eeuwenlange onderdrukking van de zwarte bevolking van Zuid-Afrika. Over het verloochenen en wegpoetsen van de geschiedenis gesproken. Je moet maar durven.

Mirjam de Winter (@mirjamdewinter) is freelance journalist en stadsgids in Rotterdam.