Jan van der Ven met onderwijsminister Arie Slob onderweg naar een school in Roermond.

Foto Koen Verheijden

Interview

‘Weg met alle trends in het onderwijs’

Interview | Jan van de Ven Hij stond aan de wieg van de stakingen maar dat kostte te veel energie. Deze week stopt Jan van de Ven als docent.

Of hij deze week gaat staken? „Eh, nee.” Want? „Ik werk niet op school op donderdag en vrijdag.” Docent Jan van de Ven is hét gezicht van de lerarenstakingen. Samen met Thijs Roovers richtte hij in 2017 ‘PO in Actie’ op. Ze kregen duizenden leraren naar het Malieveld in Den Haag voor de eerste grote lerarenstaking in jaren. Sinds het begin van dit schooljaar staat Van de Ven nog twee dagen per week voor de klas, een bovenbouwgroep van de Montessorischool in Venray. De andere dagen zijn voor het opstarten van een beroepsorganisatie voor leraren – ook weer samen met Thijs Roovers.

Lees ook: Deze twee docenten voeren de lerarenstaking aan

Maar die combinatie actie-voor de klas werd te zwaar, vertelt Van de Ven. „Ik kreeg altijd veel energie van voor de klas staan, maar de afgelopen maanden kóstte het energie.” Gevolg: slecht slapen, stress, en mopperig tegen vrouw en dochters. „Dat wil ik niet meer.” En dus neemt hij deze week afscheid van zijn klas.

De leraar die alle leraren op de been krijgt, stopt zelf als leraar. Is dat geen gek signaal?

„Ik wil het contact met het onderwijs niet helemaal kwijt. Misschien ga ik over een tijd weer als invaller aan de slag. Dan kan ik lesgeven, zonder de verantwoordelijkheid te dragen van een klas met alle vergaderingen en ouderavonden die daar bij horen.”

De beroepsorganisatie voor leraren – iets anders dan een vakbond, zegt Van der Ven („wij sluiten geen cao’s”) – slokt de komende maanden al zijn tijd op. Een dergelijke beroepsorganisatie voor leraren bestaat nog niet. En dat, lacht Van de Ven, zegt veel over de beroepsgroep. „Er is de laatste jaren heel veel óver leraren gepraat, maar weinig dóór leraren. Er zijn tientallen organisaties en bureautjes die zich bezig houden met onderwijs, maar de leraren zitten zelden aan tafel. Wij vinden dat leraren moeten meepraten. Of het nu gaat om de curriculumherziening of de discussie over Citotoetsen. We willen niet meer tekenen bij het kruisje.”

Wéér een staking wekt ook wrevel. Krijgen jullie de ouders nog wel mee?

„Ik hoor die geluiden natuurlijk ook: moet dat nou, en twéé dagen? Jullie hebben er toch geld bij gekregen? Dat snap ik, maar ik denk dat veel ouders niet in de gaten hebben wat hen te wachten staat. De enorme lerarentekorten in Amsterdam gaan we over drie jaar in heel Nederland krijgen als er niet wordt ingegrepen. Dat heeft gevolgen voor de kwaliteit van ons onderwijs.”

Hoe hoog is de nood?

„Die is enorm. We hebben een grondwettelijke taak om te zorgen voor goed onderwijs. Kinderen moeten op twaalfjarige leeftijd fatsoenlijk kunnen lezen en rekenen. Dat staat onder druk door de hoge uitval. En juist kinderen die onderwijs het hardst nodig hebben, treffen we het hardst. Die worden thuis niet extra voorgelezen omdat er op school geen tijd meer voor is.”

Van de Ven ziet een „groeiende tweedeling”: „Mijn dochters groeien op met de boekenkast, maar dat is voor veel kinderen niet aan de orde. Die hebben een meester of een juf nodig die ze de liefde voor lezen bijbrengt en de kennis en vaardigheid die je daarvoor nodig hebt.”

De groeiende ongelijkheid is toch niet alleen te wijten aan de lerarentekorten?

„Nee, het heeft ook te maken met een gebrek aan focus. En dat hebben we als leraren voor een deel aan onszelf te danken. We hebben ons de afgelopen jaren van alles aan laten aanleunen.

„Je kunt letterlijk élke dag volplannen met lespakketten van buiten. Met vakken die we moeten geven, omdat er is Den Haag wordt gezegd dat het belangrijk is. Het belangrijkste onderwijsthema bij de vorige verkiezingen was dat kinderen het Wilhelmus moeten zingen op school! Dat tekent de armoede in het denken over onderwijs.”

Hoe moet het dan wél?

„Leraren moeten de zeggenschap over hun vak terugpakken. Onderwijs moet je niet aan beroepsbestuurders laten. En we moeten terug naar de kerntaken van het onderwijs. Weg met al die trends en bevliegingen die door externe adviesbureaus worden bedacht. De vernieuwingsdrang dendert door als wij het heft niet zelf in handen nemen.

„Ik hoorde laatst nog mensen bloedserieus zeggen: moeten kinderen de tafels nog wel leren? Wauw, het idee! Als ik kinderen in de bovenbouw krijg die de tafels niet beheersen, dan kan ik er niks meer mee. Staartdelingen leren, bijvoorbeeld: zonder tafels is dat geen doen. Ik wil dat wij straks als beroepsgroep kunnen zeggen: deze onderwerpen doen er toe en deze niet. Dat brengt rust in de sector.”