Ryclef Reinstra: „Dat er in de kunsten nog steeds mensen zich het apelazarus werken voor een fooi, dat vind ik schandalig.”

Foto Frank Ruiter

Vertrekkend directeur VandenEnde Foundation: ‘Ik mis een serieus debat over kunst en cultuur’

Interview Ryclef Rienstra vertrekt na negentien jaar als directeur van de VandenEnde Foundation, waar hij in tien jaar 172 miljoen euro verdeelde onder kunstenaars. „Ik zou willen dat cultuur in politiek opzicht weer statuur krijgt. Het is elke keer schrapen met een paar miljoen.”

De pianobroers Lucas en Arthur Jussen. Violiste Noa Wildschut. Actrice Halina Reijn. Het zijn een paar voorbeelden van succesvolle cultuurmakers die aan het begin van hun carrière enorm geholpen zijn door een handtekening van Ryclef Rienstra. Als directeur van de VandenEnde Foundation, de filantropische stichting van Joop en Janine van den Ende, heeft Rienstra de afgelopen negentien jaar ruim duizend subsidieaanvragen uit de cultuursector bekrachtigd met zijn signatuur. Hij is de man van 172 miljoen euro, het geschonken totaalbedrag sinds de oprichting van de stichting. Bij het grote publiek weinig bekend, maar wel een culturele beleidsmaker die bijna twee decennia lang een groot stempel drukte, vooral bij de podiumkunsten.

Rienstra selecteerde met hulp van deskundigen uit vele duizenden aanvragen de talenten en culturele instellingen die zijns inziens een kans verdienden. Als Joop en Janine van den Ende en de overige bestuursleden van het kunstfonds met zijn voordrachten instemden, zette Rienstra daarna zijn handtekening en werden de subsidiegelden overgemaakt. Dat kon een paar duizend euro voor een studiebeurs zijn, maar ook 6 miljoen euro voor de nieuwbouw en de renovatie van het Stedelijk Museum Amsterdam.

Op 1 februari wordt de 72-jarige Rienstra opgevolgd door Milou Halbesma, de voormalig directeur Publiekszaken bij het Van Gogh Museum. In zijn luxueuze kantoor bij de stichting – met kunst van Karel Appel en een wandkleed van zijn echtgenote Babette Treumann aan de muur – blikt Rienstra terug.

Ons viel op, zeggen we, dat de ondertitel van de Foundation, ‘ondernemend cultuurmecenaat’, onlangs is vervangen door ‘kansen geven’. Is er een verband met de ophef van twee jaar geleden, toen de stichting ervan werd beschuldigd te veel de privé-belangen te behartigen van Joop en Janine van den Ende? Ryclef Rienstra: „Kansen geven is altijd ons credo geweest, al bij de eerste gesprekken aan de keukentafel bij het echtpaar Van den Ende thuis. Toen hadden we het over hoe we het gingen doen: grote bedragen geven, kleine bedragen geven. Janine heeft een theaterachtergrond, ze vertelde dat ze altijd moest sappelen om een voorstelling te kunnen maken. „We waren dolblij als iemand een paar honderd gulden doneerde, dat was het verschil tussen wel of niet maken”, zei ze. Dus: kansen geven. Later, toen we tien jaar bestonden, vond ik dat we duidelijk moesten maken waarin wij ons onderscheiden – en werd het ondernemend cultuurmecenaat. Maar dat bleek dus tegen ons te werken. Zo van: ‘de investeringsmaatschappij van Joop en Janine van den Ende’. Dus toen hebben we het na lang praten weer terugveranderd. We willen wel dat cultuurmakers ondernemend zijn, al staat dat niet gelijk aan geld verdienen. Waar het ons om gaat: dat degenen die volgens ons een kans verdienen hun publiek weten te vinden.”

Over welke talenten moet de directeur van de VandenEnde Foundation beschikken?

„Een Chinees spreekwoord luidt: ‘Buig als het riet, maar breek niet.’ Dat is mijn motto. De Van den Ende’s zijn sterke karakters, het is niet altijd even makkelijk. Maar ik hou me aan het eind van de dag altijd voor dat we hún geld aan het verdelen zijn, we moeten niet iets doen waar zij ongelukkig van zouden worden.

„Aan de andere kant moeten we wel beleid en systeem hebben: het moet duidelijk zijn wat we doen, het geheel moet hout snijden. Mijn belangrijkste taak was projecten binnenhalen en beoordelen, waarna ieder voorstel met het bestuur werd bediscussieerd. Zo gaat het bij andere fondsen ook. Wat ons onderscheidt is het live aanwezig zijn van de financiers. En als je dan moet bijsturen, is het belangrijk om diplomatiek te kunnen zijn.”

Wat zijn op zo’n moment de belangrijkste criteria waar jullie een projectvoorstel aan afmeten?

„Eén: kwaliteit. Twee: is het meer van hetzelfde of wordt hier iets bijzonders voorgesteld? Ik aarzel om de term vernieuwend te gebruiken, want dat is zo’n uitgehold begrip. Maar toch. En drie: pakt deze persoon het een beetje ondernemend aan?”

U bent 72. Joop van den Ende is 77. Hoe…

Hij onderbreekt de vraag. Lachend: „Het is niet helemaal zonder reden dat ik hier wegga, nee.”

Hoe lastig is het om projectvoorstellen te beoordelen van mensen die een of twee generaties jonger zijn dan uzelf, zou onze vraag worden.

„Voor mensen die een beroep op het fonds doen is het fijn om straks een jonger iemand aan de andere kant van de tafel te treffen. Maar ik denk niet dat leeftijdsverschil ooit een probleem is geweest, ik heb nooit het gevoel gehad dat wij niet snappen wat er op de podia gebeurt. En met tipgevers kom je ook een eind.

„Een ander verhaal is het domein van de diversiteit: dat bestrijken we onvoldoende. In het begin van het fonds hebben we mensen met een migratieachtergrond kunnen ondersteunen met opleidingen. Maar op productieniveau lukt dat nu veel minder. Deze zomer was ik op een imponerend hiphop-dancefestival, in die wereld moet toch ook behoefte aan geld zijn, dacht ik toen. Maar toch krijgen wij nooit subsidieverzoeken uit die hoek. Dus zijn we nu bezig met een bureau, om te kijken hoe we in die wereld onze contacten kunnen verbeteren – laagdrempeliger kunnen worden.”

Ter voorbereiding op ons gesprek heeft hij een aantal feiten en cijfers bij elkaar gezocht, zoals de uitgaven van de stichting van de afgelopen twintig jaar. Maar ook: hoeveel het Rijk uitgeeft aan cultuur, wat kunst en cultuur bijdragen aan het bbp, hoeveel mensen cultuur beoefenen. „Kijk, dit schrijft het Sociaal en Cultureel Planbureau: 11 miljoen mensen zijn beoefenaars van cultuur, 7,3 miljoen zelfs frequente beoefenaars. Al die mensen schilderen, spelen toneel of maken muziek. Hier: 1,8 miljoen mensen zitten op een koor. 1,4 miljoen mensen hebben een Museumkaart. Dus dan denk je toch: hoe is het in godsnaam mogelijk, met zoveel mensen die actief zijn…”

Dat cultuur politiek gezien een weinig prominent onderwerp is?

„Ja, dat bedoel ik.”

Zelf schreef u vijf jaar geleden in het jaarverslag: ‘Een inhoudelijk debat in het parlement over nut en noodzaak van cultuur is een must.’ Dat debat is niet gekomen?

„Nee. Het is er wel geweest. In de jaren tachtig – ik werkte bij de federatie van kunstenaarsverenigingen – kwamen de eerste cultuursaneringen op gang. Als je dan een debat bijwoonde, waren daar woordvoerders voor cultuur die geen novices waren in hun fractie. Dat waren doorgewinterde parlementariërs, die een mening hadden over cultuur, die ook consumenten van cultuur waren. Maar nu… Ik las laatst het verslag van een Kamerdebat over de cultuurnota van minister Van Engelshoven. Dan komt de VVD aanzetten met hun jongste Kamerlid, die meteen het hoogste woord heeft. Ik dacht: nou, nou, nou… Ik zou willen dat cultuur in politiek opzicht weer statuur krijgt. Het is elke keer schrapen met een paar miljoen.”

Hij pakt een papier: „Kijk, de gebieden waar mensen vinden dat geld naartoe moet. Onderwijs staat bovenaan, cultuur onderaan. Onder de nullijn zelfs. Mensen die zelf zingen in een koor of bij de toneelvereniging zitten, vinden dat dus. Er was een keer een onderzoek waarin mensen werd gevraagd: hoeveel denkt u dat er aan cultuur wordt uitgegeven? Wel 10 miljard, zeiden ze. Hoeveel denkt u dat het zou moeten zijn? Hooguit 4 miljard. Nou, het is 500 miljoen. De perceptie is zo onzuiver.”

Hoe komt dat?

„Nou ja… Rutte is kampioen in het zich afzijdig houden. Hij speelt piano, hij is een liefhebber. Waarom hoor ik hem nooit gepassioneerd spreken over pianospelen? Hoe kwam hij ertoe om te gaan spelen, werd hij ooit geraakt door iets wat hij prachtig vond, wie gaf hem les en hoe was dat?”

Stel, u was een maand minister van Cultuur. Wat zou u doen?

„Ik zou proberen een alliantie te smeden met andere ministeries, om te zorgen dat er meer geld beschikbaar komt voor cultuur. Er komt nu extra geld voor arbeidsvoorwaarden, maar dat bedrag is bij lange na niet genoeg. Ik heb te doen met mensen in de zorg, en in het onderwijs, maar dat er in de kunsten nog steeds mensen zich het apelazarus werken voor een fooi, dat vind ik schandalig.”

Met het Prins Bernhard Cultuurfonds, het VSB Fonds en Droom en Daad behoort de VandenEnde Foundation tot het handjevol grote, particuliere cultuurfondsen. Eerder zeiden Joop en Janine van den Ende dat hun Foundation „minder een voorbeeldfunctie heeft gekregen” dan ze hadden gehoopt. Ryclef Rienstra: „Er zijn wel veel kleine fondsen, daarvan zijn er de afgelopen twintig jaar juist veel bijgekomen. Maar inderdaad: ik denk dat ze gehoopt hadden dat er meer grotere fondsen zouden komen. Joop en Janine hebben het Amerikaanse model voor ogen: dit zijn wij en dit doen we. En zij hebben natuurlijk een unique selling point: de familie Van den Ende is heel zichtbaar.”

Wat denkt u: gaat uw opvolger ook 19 jaar bij de Foundation werken?

„Mag ik naar haar verwijzen voor dat antwoord?”

Maar kan het? Is de Foundation er dan nog?

„Dat is wel het streven van het echtpaar. Toen hun bedrijf een paar jaar geleden is verkocht, hebben ze hun vermogen zo gestructureerd dat de VandenEnde Foundation een lang bestaan heeft. En in principe na hun afscheid zal blijven voortbestaan.”

De dag na het interview stuurt hij een mail: voorbeelden van subsidie door het fonds waar hij trots op is, maar die hij niet had genoemd. En ook: „Tenslotte heb ik nog even nagedacht over hoe de betrokkenheid van het bedrijfsleven vergroot kan worden. Voor wat betreft de publieke invloed van captains of industry zou ik mij kunnen voorstellen dat zij zich aan de vooravond van het parlementair debat over het kunstbeleid laten horen en zien. In een praatprogramma, een publiek manifest e.d. het belang van cultuur en creativiteit bepleiten. En laat het kabinet eens een keer ontbijten met kunstenaars én ceo’s. En dan niet om de winstbelasting ter discussie te bepleiten, daar zijn weer andere ontbijtjes voor.”