Recensie

Recensie Muziek

Slipknot blaast behalve de Ziggo Dome ook het eigen momentum aan gort

Rock Zanger Corey Taylor van de Amerikaanse nu-metalband Slipknot brult met gemak een bulldozer omver. Maar behalve achter een masker zit hij gevangen in het verleden.

Corey Taylor van Slipknot tijdens een optreden in Londen eerder deze maand.
Corey Taylor van Slipknot tijdens een optreden in Londen eerder deze maand. Foto Gus Stewart/Getty Images

Oorverdovende zaaggitaren en bulderend gebrul? Present. Bruut beukende drums? Check. Aanvullende knuppelpercussie op galmende olievaten? Dubbelcheck. Vlammenwerpers? Overal. Weerzinwekkende maskers? Uiteraard!

Het oog wil ook wat: dat is al vijfentwintig jaar het motto van de Amerikaanse nu-metalband Slipknot. Daarom verstoppen de bandleden zich bij ieder album achter een andere gezichtsvermomming. En daarom lopen er bij de gemiddelde Slipknot-show evenveel figuranten rond als echte artiesten.

Het zij ze allemaal vergeven: de ‘percussionisten’ die links- en rechtsboven het podium op vaten en trommels rammen (maar er vooral headbangend op leunen). De ‘dj’ die in zeventien nummers hooguit drie keer zijn draaitafels aanraakt (en verder schaduwboksend over het podium struint). Of de ‘toetsenist’ uit wiens hoofd een paar dozijn liniaallange spijkers steken (maar uit wiens vingers niets hoorbaars lijkt te komen).

Geeft niks, zolang de echte muzikanten maar blazen. En dan doen ze. En ongenadig hard ook.

Maar ondanks het overdadige circus zit het toch niet helemaal lekker, dinsdagavond in de Amsterdamse Ziggo Dome. Want behalve het publiek weet Slipknot ook het eigen momentum genadeloos aan gort te blazen door telkens na drie nummers van het podium te lopen. Is de boel eindelijk een beetje opgekookt, is de band alweer verdwenen en staart iedereen gapend naar een donker podium. Waarom toch?

Vervolgens moet zanger/brulboei Corey Taylor weer een peptalk houden om de Ziggo weer wakker te schudden. Dat doet hij zowel macho („Crazy motherfuckers!”) als EO („Kijk om je heen: hier gaat het om! We zijn allemaal familie!”).

Taylors talent is ongekend: hij brult met gemak een bulldozer omver, maar blinkt tegelijkertijd uit in mega-melodieuze zanglijnen. Hij maakt van ‘Duality’ zo’n onweerstaanbare stadionmeezinger dat je héél even denkt: verrek: we zijn inderdaad allemaal familie! Totdat je opkijkt en weer naar een leeg podium staart.

‘Nero Forte’ – van het vorig jaar verschenen zesde album We Are Not Your Kind – heeft ook zo’n moedig poprefrein, maar jammer genoeg ook nog steeds übergedateerde rockrap. Net als het overal geprojecteerde bandlogo (een gekanteld kontgewei van tribals) schreeuwt het allemaal: jaren negentig. Het is een beetje de tragiek van de band: nog meer dan achter hun maskers zit Slipknot gevangen in een genre uit het verleden.