Onmetelijke schatkamer

Cultuur Welke troost bieden de Britse film, klassieke muziek en literatuur aan diegenen die worstelen met de scheiding? NRC-recensenten wijzen de weg.

Rob van Essen (literatuur)

De literatuur kent geen Brexit

Het goede nieuws is dat er voor u als lezer niets verandert. Het is niet zo dat de Engelse boeken in uw boekenkast zich opeens anders gaan gedragen, wachtwoorden of andere ingewikkelde procedures eisen voordat ze bereid zijn zich te openen. U kunt natuurlijk grommend uw leesfauteuil met de rug naar het westen draaien en u werpen op al die Duitse, Franse en Luxemburgse meesterwerken waaraan u nog niet bent toegekomen, maar de literatuur kent geen Brexit, laat die stoel maar staan, zet de verwarming hoger en trek Jane Austen of Charles Dickens nog eens uit de kast, of andere Engelse klassiekers, geschreven in tijden dat er nog geen EU bestond.

Wat doet het ertoe, in alle merkwaardige personages die hun romans bevolken, komen we ook de Engelsen van nu tegen, en onszelf, en Duitsers, Fransen en Luxemburgers, want zoveel verschillen we niet van elkaar, of van onze voorvaderen en -moederen van tweehonderd jaar geleden.

Literatuur reflecteert de tijd waarin ze ontstaat, zeker, maar ze reflecteert ook de tijdloze onderstroom van al die tijden. En al is die tijdloosheid uiteindelijk ook schijn, de waan van de dag is van een andere orde dan de waan van het menselijk bedrijf, nietwaar? We waren altijd al gestoord, dat is de troost die literatuur even moet bieden.

Misschien moeten we zo ver mogelijk teruggrijpen om deze tijden te relativeren, naar een van de eerste Engelse romans, Tristram Shandy van Laurence Sterne, uit 1767. En let dan vooral op Toby, de oom van de verteller, want nu we toch getroost willen worden: oom Toby is het aardigste en meest aandoenlijke personage uit de Engelse literatuur, misschien wel uit de wereldliteratuur. Hij is een ex-legerkapitein die tijdens de Negenjarige Oorlog nog op het continent heeft gevochten – meteen kijk je ongerust op uit het boek: Engelsen die op het vasteland gaan vechten, zover zal het nu toch niet komen? En doorlezen maar weer.

Coen van Zwol (film)
De comeback van Frans Oberhauser

Nu de Brexit eindelijk daar is, troost ik mij met James Bond. Hij belichaamt een soort escapisme dat Europeanen graag met de Britten delen. Zelfs al is ons in Bondfilms hooguit de rol van superschurk of louche helper toebedeeld; 007 wenst met maar heel weinig Europeanen gemeenschap.

Spectre (2015), de 24ste en laatste Bond-film voor de Brexit, is nog het troostrijkst, want 007 en Engeland blijken weer op eigen benen te kunnen staan. Dat was in Skyfall (2012) wel anders. De latino superhacker Silva controleerde daar de Britse computernetwerken, blies straffeloos MI6 op, veranderde Westminster in een schietbaan, joeg M naar de Schotse Hooglanden en verwoestte Bonds voorouderlijk huis.

In Spectre opent Bond de tegenaanval. Bevrijd van rancune en drankproblemen kan 007 weer leunen op een solide thuisfront. Zijn chef M. is een stijve, formalistische kerel, zijn secretaresse de hunkerende miss Moneypenny. Ook de vijand is vertrouwd: SPECTRE, het door foute Europeanen gerunde misdaadkartel van meesterbrein Ernst Stavro Blofeld.

Toeval of niet: Blofeld was 007’s nemesis tot Diamonds Are Forever (1971), de laatste Bondfilm voordat het Verenigd Koninkrijk toetrad tot de EEG, de voorloper van de EU. Hij belichaamt Britse angsten: een meesterbrein van half Griekse, half Poolse komaf – Eurotrash – in een Nehrujasje dat vagelijk anti-koloniale rancune verraadt. Toen Blofeld in You Only Live Twice (1967) verscheen – daarvoor zagen we alleen zijn hand een witte Angorakat strelen – had hij de mensuur (sabelhouw) van de Duitse aristocratie in zijn rechterwang.

Met de Europese integratie verdween Blofeld uit beeld, al dumpte Roger Moore in de proloog van For Your Eyes Only (1981) iemand die sterk op hem leek met rolstoel en al in een schoorsteenpijp. Spectre is Blofelds comeback. Hij is nu James Bonds jaloerse pleegbroer, een humorloze, megalomane kerel met Duits accent die eigenlijk Frans Oberhauser heet. Zijn meesterplan is het koppelen van de databases van MI5 en MI6 met de geheime diensten van ‘Nine Eyes’ – Blofeld controleert dan alle informatie. Pro memorie: ‘Five Eyes’ staat voor de vertrouwde Angelsaksische samenwerking op inlichtingengebied, in ‘Nine Eyes’ mogen ook Europese landen meedoen.

Bond smoorde dit integratieproject in Spectre in de kiem, acht maanden later stemde het VK tegen een ander integratieproject. Het kan de wereld weer alleen aan, zo bewijst Spectre. Maar om te weten hoe het afloopt tussen Bond en Blofeld moeten we geduld hebben tot No Time To Die, in april: de eerste Bondfilm na de Brexit.

Mischa Spel (klassiek)
Er is zoveel meer dan Dido en Aeneas

Heeft de Splendid Isolation van het Verenigd Koninkrijk nog een upside? Jawel: in de klassieke muziek. Al vanaf het ontstaan van de Anglicaanse kerk (circa 1534) maakte de Britse muziek een eigen ontwikkeling en bloei door. Wie hield het op het huwelijk van Prins Harry en Meghan Markle droog bij Thomas Tallis’ If ye love me (1565)?

De Britse koortraditie is dan ook de rijkste ter wereld, goed voor troostmuziek per hectoliter. Tallis’ veertigstemmige motet Spem in alium tilt moeiteloos op naar hoger sferen, om over de caroltraditie met Kerst nog niet te beginnen – een traditie die bovendien niet museaal maar springlevend is, zoals ook de prachtige Fayrax Carol van componist Thomas Ades (1971) bewijst.

De nationale schatkamer is voor Britse koren onmetelijk, wat ook geldt voor solorepertoire. Zelfs Sting zette zijn rockstem in voor de luitliederen van John Dowland (1563-1626), al word je voor een goede blik op Dowlands retorische rijkdom (In darkness let me dwell) beter bediend door countertenor Iestyn Davis.

Niet alle Britse renaissance-liederen zijn overigens zware kost. Sprankelend is veel van wat Robert Johnson (1583-1633) componeerde voor Shakespeare. Luister maar naar Where the bee sucks, there suck I (voor The Tempest): geestig, oh zo Brits, oh zo merry.

In de barok had je Purcell. Om de hartverscheurende schoonheid wordt When I am laid in earth uit de opera Dido and Aeneas collectief omarmd als mooiste aria ooit gecomponeerd, maar er is zoveel meer. If music be the food of love, sing on, sing on!

In de 19de eeuw zaaide Edward Elgar verrukkelijke verwarring met zijn Enigma Variatons (1899). De Nederlandse musicoloog Theodore van Houten (vader van Carice en Jelka) kwam in 1976 met de aannemelijkste oplossing van Elgars muzikale raadsel: het was een grapje. Elgar verwees in zijn stuk naar Britannia, symbool van Engeland. Het refrein (‘Britons never, never, never shall be slaves’) van de hymne Rule Britannia! inspireerde het enigmathema, dacht Van Houten.

Kan het Britser? Ja, dat kan. Trek de natuur in met goede schoenen en Ralph Vaughan Williams’ lied The Vagabond uit de Songs of Travel (1904) op je koptelefoon en voel hoe adem, uitzicht, pas en ritme allemaal samen vallen. Bereik je de kust, beluister dan de Four Sea Interludes uit de meesterlijk-beklemmende opera Peter Grimes (1945) van Benjamin Britten. Voor de beloningspint erna wacht de vocale omarming van de mooiste Britse alt aller tijden, Kathleen Ferrier. Zij besloot menig recital met Britse traditionele liedjes. Blow the Wind Southerly!