ING zegt rekening van handelaar in e-sigaretten op

Rubriek economie & recht Deze rubriek belicht wekelijks kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal: privaat recht.

Foto Sebastien Nogier/EPA

Een groothandel in e-sigaretten krijgt begin december per aangetekende brief slecht nieuws van ING. De bank, waarbij het Brabantse bedrijf sinds de oprichting in 2016 zijn zakelijke rekening heeft, wijst de groothandel de deur. ING verwijst daarbij niet naar witwassen of verdachte transacties, maar naar haar beleid inzake milieu- en sociale risico’s (ESR). „Omdat de handel in e-sigaretten door de ING wordt gezien als een handel in tabak wordt uw organisatie onder de tabakssector geschaard”, aldus de brief. „ING wenst op basis van het ESR-beleid geen zaken meer te doen met groothandelaren in tabak.” Daarom zegt ING de bankrelatie met de groothandel per juni 2020 op.

De groothandel dagvaardt ING en vecht de opzegging aan. Daarbij benadrukt het bedrijf juist principieel niet in tabaksproducten te handelen. Ook voert de onderneming aan dat er geen enkele grond is voor opzegging van de bancaire relatie en dat toegang tot de bankrekening noodzakelijk is voor haar continuïteit.

Kort daarop komt ING tot een „heroverweging”. De groothandel moet nog steeds vertrekken, maar pas per 1 januari 2023. Dat is ook de datum waarop ING wereldwijd geen enkele financiering in de tabaksindustrie meer wil hebben. Hoewel de groothandel langer klant mag blijven, zet hij het kort geding door. De rechter stelt dat „mogelijk vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het (strengere) ESR-beleid van ING”, maar dat de kortgedingrechter daarvoor niet de plek is. Nu ING de opzeggingsdatum heeft verschoven, ontbreekt daarvoor de basisvoorwaarde: een spoedeisend belang.

Uitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2020:357