Reportage

‘Ze zoenen met een Hollandse maar trouwen met een Turkse’

Integratie buiten de Randstad Almelo, Venlo, Eindhoven: soms lijkt het of de integratie buiten de Randstad gemakkelijker gaat dan daarbinnen.
De vrienden (van links naar rechts) Jordan Daniël (21), Yomi Rabiu (21), Daan van Kerkvoorde (21) en Ryan Talbot (21) op een avond in Tilburg.
De vrienden (van links naar rechts) Jordan Daniël (21), Yomi Rabiu (21), Daan van Kerkvoorde (21) en Ryan Talbot (21) op een avond in Tilburg. Foto's Mark Bolk

Ik ben een ingeburgerde Turk, zegt Hussein Sucu in Almelo. Hij laat met een hand de korf met friet in het hete vet zakken en gooit met de andere een biefstuk in een pan. „Ik ben zo ingeburgerd dat ik varkensvlees verkoop.”

Soufiane (35) zou het liefst buiten Venlo willen wonen. In zo’n kerkdorp, voor de rust. Hij voorziet ook een nadeel: daar is hij nog meer een ‘boetenlander’.

Ik hoor van collega’s in de Randstad die bij een klantenservice werken dat ze een Nederlandse naam gebruiken in plaats van hun Marokkaanse, zegt Ikram (32) in Eindhoven. „Ik zou dat nooit doen. Ik heb deze naam gekregen van mijn vader, daar moet iedereen het mee doen.”

Integratie is ook buiten de Randstad vaak een gevoelige kwestie. Maar verloopt dat anders dan in grote steden, waar meer mensen mét migratieachtergrond wonen dan zonder? NRC bezocht drie steden en koos voor de wijk met het hoogste aantal inwoners met een niet-westerse migrantenachtergrond. Niet iedereen wilde met achternaam in de krant.

In vergelijking met de Randstad viel één ding op, de kloof lijkt minder diep. Door het (iets) geringere aantal is samenleven met anderen onvermijdelijk. Zoals gezinscoach Meggie Driessen (35), die in Limburg opgroeide en nu in Rotterdam woont, zegt: het geheim van integratie is elkaar kennen.

Almelo
30,3 procent niet-westerse migrantenachtergrond

Hussein Sucu is de spareribkoning van de Nieuwstraat, die dwars door postcodegebied 7605 loopt. Aan elke derde lantaarnpaal hangt een bord met: ‘Nieuwstraat. Gezellig, multicultureel en vol geschiedenis!’ 30 procent van de inwoners heeft een niet-westerse migratieachtergrond. Maar hoe gezellig is het echt?

In zijn afhaalbistro Flintstones is het vanaf vier uur ’s middags mistig van de baklucht. „Mijn klanten”, zegt Sucu, „zijn voor 60 procent Hollanders. 30 procent Molukkers. Die houden van vlees met bot. En af en toe een niet-hypocriete moslim.”

Want moslims die geen vlees willen eten in zijn zaak omdat het misschien in aanraking is geweest met varkensrib, zijn hypocriet, vindt hij. Elke jongeman heeft in de disco gezoend met een Nederlands meisje. Hij grijpt een van zijn bezorgboys bij zijn nekvel. „Jij toch ook?” De jongen knikt. En álle Almelose Turken drinken alcohol. Maar varkensvlees? Nee, hoor, haram!

De integratie is mislukt, roept Sucu door zijn zaak. De wachtende klanten kijken verschrikt op en turen door de mist naar de eigenaar, die met grootste gebaren in een pan roert. Hoeveel Turkse kameraden heb jij, vraag Sucu aan een 36-jarige autochtone Almeloër die op een barkruk wacht op zijn bestelling. „Eh… Geen.”

Zie je wel, roept Sucu triomfantelijk.

Maar zijn zaak draait als een tierelier en zit toch vol Hollanders? Die Hollanders zien mij als Turk, zegt Sucu, terwijl hij piepschuim bakjes vol schept met gebakken rijst. „Ik ben chef-kok geweest in Geesteren, opgeklommen vanuit de afwas. En zelfs toen bleef ik Turk. Turken zijn net zo. Ze zoenen wel met een Hollands meisje, maar ze trouwen met een Turkse. Het mengt niet.”

Servet Duran (44) vertelt aan de overkant, in baklavawinkel Anteplioglu, een ander verhaal. Hij is medisch specialist en de baklavawinkel is van zijn broer. Hij is opgegroeid in Almelo, en woont nu met zijn vrouw en kinderen in Rotterdam. Hij kan dus goed vergelijken.

In Rotterdam zijn etnische scheidslijnen veel dieper dan in Almelo, zegt hij. Hij vermoedt dat dat exemplarisch is voor de hele Randstad. Toen hij in Rotterdam ging studeren, verbaasde hij zich over het Nederlands van zijn studiegenoten met migratieachtergrond. „Ik dacht: hoe zijn jullie in godsnaam geslaagd voor je eindexamen?”

Hij had op de middelbare school alleen maar autochtone vrienden. Zijn achtergrond was geen issue. Ze spreken allemaal Twents. „Je hoefde niet je best te doen om te mengen, dat ging gewoon vanzelf.”

„Op de basisschool ging ik ook bij vriendjes spelen en naar verjaardagspartijtjes. Met kerst at ik boerenkool op school, een jaarlijkse traditie. Hij ziet groot verschil met zijn vrouw (Turkse achtergrond) die in Rotterdam opgroeide: „Zij at pas voor het eerst boerenkool op haar vijfentwintigste.”

Dus misschien trouwen Turkse Almeloërs uiteindelijk met een Turkse, échte uitsluiting kennen ze nauwelijks. Niet zoals in de Randstad, vindt Duran. Zijn zus Arzu (35) werkt in de baklavawinkel en weet wat het geheim is van vreedzaam samenleven: respect. „Het gaat pas mis, als de een vindt dat hij boven de ander staat.”

Trouwens, Turkse Almeloërs kun je nauwelijks nog Turks noemen, zegt ze, „ze zíjn hartstikke vernederlandst. Ze gaan buiten een hapje eten, chillen. Dat deden onze ouders echt niet.”

De fietsenmaker zit al dertig jaar in de Nieuwstraat. Hij moet nadenken over de verschillen. „Turkse Nederlanders kopen de fiets liefst op afbetaling en proberen altijd iets van de prijs te krijgen”, zegt Henri Wild (59). „Verder zijn ze net als wij. Doe niet te gek. Een tikje terughoudend. ‘Laten kieken wat ’t wordt.’ Die mentaliteit hebben zij ook.”

Échte buitenstaanders, dat zijn dat de Polen, vinden de ondernemers in de Nieuwstraat, al vindt de fietsenmaker hun vleeswaren wel een aanwinst. Die hokken bij elkaar en spreken geen Nederlands. In Flinstones wordt het meest gemord over het witte ‘Goossenmaatvolk’. Een klant van Turkse afkomst: „Die wonen hierachter. Dat zijn een soort kampers. Zij zitten met hun dikke, blote buik op de stoep voor hun huis bier te drinken, en hebben al generaties lang een uitkering.”

Nurul (55) roert in een mega-pan saté. „Die gaat er snel doorheen”, zegt hij. Oorspronkelijk uit Indonesië, woonde hij jaren in Amsterdam. Nu runt hij een Indonesisch eetzaakje in de Nieuwstraat. Hij woont hier sinds drie jaar. Wat hem het meest opvalt? „Amsterdammers hoefden niets van je te weten. Hooguit stellen ze vragen over het eten. Maar Almeloërs komen binnen en vragen: Waar woon je? Ben je getrouwd? Heb je kinderen? Net Indonesiërs eigenlijk.”

Venlo
26,3 procent niet-westerse migrantenachtergrond

Vanuit de telefoonreparatiewinkel wijst Soufiane (35) naar de grote flats verderop. In de ene zitten alleen maar Bulgaren, in een ander alleen maar Polen, in de derde Oekraïners. De appartementen hebben drie slaapkamers. Ze worden verhuurd aan tien tot twaalf mensen, vier per kamer. Soms wordt de kelderbox ook verhuurd.

De telefoonwinkel is onderdeel van een vervallen winkelcentrumpje midden in het postcodegebied 5922. Het stadsdeel heet Blerick, de wijk Vastenavondkamp. Er zijn onder meer een Aldi, een Poolse winkel, een Turkse supermarkt, en een dierenwinkel.

Er staat een rij mensen in de telefoonwinkel die via Western Union geld naar familie in Afrika of Oost-Europa sturen. Soufiane wijst op de rij. „Het geld dat hier nodig is, gaat naar het buitenland.”

Schuin aan de overkant staan zo’n twintig mensen bij de bushalte. Mannen en vrouwen. Het is één uur in de middag. „Polen, Bulgaren, Grieken”, zegt Soufiane. „Ze gaan werken.” Korte tijd later stopt een bus met het logo van een uitzendbureau.

Soufiane, Marokkaanse wortels, is bitter over de wijk. Er zijn te veel ‘boetenlanders’. Polen, die geen woord Nederlands spreken, die op straat drinken en lallen. De afgelopen jaren kwamen er vluchtelingen bij: Syriërs, Eritreeërs, Irakezen. Er wonen hier ook Nederlanders, zegt hij, maar daar is meestal wat mee. „Ze hebben schulden, zijn crimineel of net gescheiden.”

De eigenaar van de telefoonwinkel is van Turkse afkomst. Hij is minder negatief over de bewoners van de wijk. „Omdat het jouw klanten zijn”, zegt Soufiane. Dat is waar. De eigenaar vindt het ook vreemd dat alle buitenlanders bij elkaar worden gezet. „We hebben het eerder gezien.” Met een knikje naar de flats: „Mijn pa leefde ook zo. In een pension.”

Peter Peeters (62) ziet ook een „herhaling van zetten”. Hij zit met twee collega’s in Het Buurtpunt, op een hoek. Hun missie voor de wijk: mensen met elkaar verbinden. En dat, geeft Peeters toe, is niet makkelijk in een buurt vol nieuwkomers. Hij ziet een „stapeling van problemen. Met een verwijzing naar de serie van Marcel van Dam uit 2006: Hier zitten de onrendabelen”.

Communiceren is lastig, zegt Peeters. Dertig jaar geleden leerde hij Turks en dat werkte goed. Nu is dat onbegonnen werk in een wijk met 35 nationaliteiten.

Toch is hij optimistisch. We hoeven niet allemaal vrienden van elkaar te worden. We hoeven niet allemaal bij elkaar op de koffie. „Als mensen maar iets doen waar ze geld mee verdienen. En elkaar maar respecteren.”

Dat is ook de essentie van samenleven voor Ramona. Zij werkt in de fietsenstalling op station Venlo. Op de camera ziet ze elke vrijdagmiddag rond een uur of vier achterin de stalling tussen de fietsen een man een kleedje uitrollen om te bidden. „Die laat je gewoon zijn gang gaan.”

Ramona heeft een collega van Marokkaanse en een van Eritrese afkomst. Dat is juist „heel relaxed” want zij werken op de feestdagen die zij viert.

Het wordt anders als er overlast is. Dat is er wel eens, door dronken gasten, of junks, of recalcitrante jeugd, maar dat heeft weinig met afkomst te maken. Als ze het nou toch over overlast heeft, dan zijn het de Duitsers. Niet omdat ze zo vervelend zijn, maar vanwege hun aantal. „Op Duitse feestdagen ga ik de stad niet in. Dan doen zij alsof alles van hen is.” In de dorpen heb je ook polarisatie, vertelt ze. Iedereen zit bij een carnavals- of muziekvereniging. Behalve de mensen die daar niet bij zitten. Die vallen toch er toch een beetje buiten.

Ik ben en blijf een Marokkaan, wat ik ook doe, zegt Soufiane, die opgroeide in Venlo en er nog steeds woont. Hij snapt hij het ook wel. „Als je een Duitse herder hebt en die krijgt pups, wat zijn dat dan? Duitse herders. Zie je wel.”

Eindhoven
28,7 procent niet-westerse migrantenachtergrond

In de McDonald’s van het winderige winkelcentrum van Woensel-Noord happen twee meisjes in een hamburger: Lina en Naomi (beiden 14). Ze zitten in de derde klas van het vmbo. Lina heeft Marokkaanse wortels, Naomi Ethiopische.

Segregatie is voor hen geen issue. Er zijn soms kliekjes op school maar níet langs etnische scheidslijnen. „We hebben het meestal gewoon gezellig met elkaar”, zegt Lina. „Dat is in elke klas zo.”

„We leren van elkaar”, zegt Naomi.

Wat leren ze dan?

Nou, over verschillende soorten eten of zo, zegt Lina. Tegen Naomi: „Jij vond die couscous toch lekker?”

Iets verderop, in het restaurant van de HEMA zit Khoutar (28) met haar dochtertje Nora van 15 maanden. En Ikram (32), met haar jongste zoontje van bijna 1. Ze heeft nog drie kinderen, van 14, 11 en 6, en ze is zwanger. Beiden groeiden op Utrecht en wonen sinds enkele jaren in Eindhoven. Ze vinden het vriendelijker dan de Randstad. Khoutar: „Maar ze lopen hier ook wat achter. Ik ging bijvoorbeeld eten met collega’s en ik zei: het moet wel halal. Toen vroegen ze: wat is halal?”

Ikram schiet in de lach. Zij werkt bij de klantenservice van bol.com en daar weet iedereen wat halal is.

Khoutar: „Bij een bedrijf waar ik stage liep, kreeg ik een fles champagne met Kerst. Terwijl de directeur een jonge vent is. Ik dacht: moet ik er wat van zeggen? Uiteindelijk vertelde ik dat ik niet mag drinken van mijn geloof. ‘Echt niet’, vroeg hij. ‘Ook niet als je uitgaat?’ Toen kreeg ik chocolaatjes.”

Ikram, die een hoofddoek draagt: „Het is wel anders buiten Eindhoven. Laatst was ik met mijn man in Heeze, vlakbij Eindhoven. Een groepje oudjes staarde ons aan. Mijn man zei: ze zijn mensen als ons gewoon niet gewend.”

Ook in Woensel-Noord zijn het ouderen die het meest moeten wennen. Tonny (78) en Sjef (75) wonen er sinds 1971 en vinden dat er „verschrikkelijk veel is veranderd”. Ze hadden vroeger een heel aardige Marokkaanse buurman. Die paste zich aan. Maar nu woont naast hun zoon, die ook in de wijk woont, een asociaal Turks gezin. Vier auto’s voor de deur. Elk jaar een baby. „Dat geeft niet”, zegt Tonny, „als ze zich maar gedragen.” Maar, vindt ze, zolang de vieze luiers in de tuin liggen, is dat niet zo.

Het bangst zijn ze voor asielzoekers die eigenlijk gelukszoekers zijn. „Die kunnen agressief worden”, zegt Tonny. En voor de échte vluchtelingen moet plaats zijn, maar waarom staan ze altijd vooraan? Zij krijgen meteen een huis, anderen staan tien jaar op een wachtlijst. En dan nog klagen. Ik denk dan: je moet dankbaar zijn, voor wat je hebt en wat je krijgt.”

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Haagse Zaken: Het multiculturele drama dat zich wel/niet voltrok

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.