Een sprong met gevolgen

Rubriek economie & recht Deze rubriek belicht wekelijks kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal: privaat recht.

Foto Getty

Een klant breekt in 2016 zijn scheenbeen na een sprong in de ‘foampit’ van een indoor trampolinepark in Limburg. Hij stelt het trampolinepark aansprakelijk voor de schade, maar dat wijst alle verantwoordelijkheid van de hand. Voor de rechter betoogt de klant – een voormalig turner – dat de attractie onveilig is. Zo is de binnenrand van de bak met schuimblokken, waar men na de trampolinesprong in landt, niet met schuim afgeschermd. Bovendien is een laag van tachtig centimeter aan schuimblokken niet genoeg om iedere val te breken.

Het trampolinepark legt een certificaat over dat moet aantonen dat de attractie wél veilig is. Voor de rechtbank is dat onvoldoende. Van het park „mag worden verwacht” dat het „de aanwezige speeltoestellen zo aanbiedt dat zij bij normaal gebruik door bezoekers geen gevaar opleveren”, zo volgt uit het toepasselijke Warenwetbesluit. Het verweer dat de klant het ongeval aan zijn eigen onoplettendheid te wijten heeft, wuift de rechtbank weg. Het park heeft daartoe geen enkel bewijs overlegd. Het is bovendien nogal onredelijk om van een klant te verwachten dat hij „voordat hij gaat springen, eerst de bodem van de foampit” onderzoekt. Die is namelijk gevuld met „ongeveer 1.300 schuimblokken”. De rechtbank verklaart het trampolinepark aansprakelijk voor de (niet nader gespecificeerde) schade.

Uitspraak: ECLI:NL:RBGEL:2020:224