De Brexit? Die leek altijd heel ver weg

Oud-correspondenten Het had altijd iets amusants, die Engelse euroscepsis. Dat het tot een Brits vertrek zou leiden, zagen weinigen aankomen.

Hans Steketee
‘Oudere Britten hielden zich staande met het idee dat zij het laatste baken van licht waren’

Zoals alle eilandvolkeren, van Japan tot Terschelling, voelen de Britten zich beter dan de rest van de wereld. Maar diezelfde wereld boezemt hun ook angst in. Terecht: een paar keer was de dreiging existentieel. Denk de Armada, Napoleon, Hitler. Het kwaad was steeds afgewend en dat had hun superioriteitsgevoelens juist versterkt. Het Britse eiland was – als je de Angelen, Saksen, Vikingen en Willem de Veroveraar even vergeet – altijd een blessed plot, een „gezegend stukje land” gebleven, „dit Engeland, bijna het paradijs”, een „fort dat de natuur voor zichzelf had gebouwd, vrij van oorlog en besmetting”, zoals Shakespeare het in Richard II zegt.

Toen ik mijn correspondentschap begon, in 1998, verkeerde het land in een identiteitscrisis. Waarom? Even terugspoelen. De Britten waren de pioniers van de negentiende-eeuwse globalisering geweest. De stoomboot, de telegraaf en de spoorweg waren de harteklop van het Britse Rijk, maar twee hete oorlogen en een koude hadden de globalisering stilgelegd.

Vanaf 1980 zette Margaret Thatcher de Britse economie echter wagenwijd open voor de vrije markt; staatsbedrijven werden geprivatiseerd en gesaneerd, vakbonden van hun macht ontdaan, het pond sterling mocht zweven. En toen viel de Muur. Waarna de Britten als eersten de vruchten konden plukken van globalisering 2.0 – goedkope telefoontikken, bijna gratis vliegen.

Vlak daarna ondervonden de Britten ook als eersten de nadelen: fabrieken en banen die verdwenen, naar Ierland, Oost-Europa en naar Azië. Fukuyama’s eind van de geschiedenis was voor nogal wat Britten het begin van de machteloosheid. „De Britten waren altijd iets wat de wereld overkwam”, schreef de journalist en historicus Andrew Marr. „Nu overkomt de wereld de Britten.”

Het veilige eiland was zo veilig niet meer. De wereld rukte op, van McDonald’s tot Franse voetballers en Tsjechische timmerlui. De kerk, de monarchie en de taal verloren hun samenbindend vermogen, de BBC was niet langer de dorpspomp. Oudere Britten hielden zich staande met het idee dat zij het laatste baken van licht waren toen de nazi’s Europa veroverden. Maar dat was ook steeds langer geleden.

En dan waren er middelpuntvliedende krachten. Tony Blair, de eerste Labour-premier na achttien jaar Tories, gaf macht weg in alle richtingen. Aan de regio’s: Schotland en Wales en Noord-Ierland kregen eigen volksvertegenwoordigingen. En aan Brussel, omdat gewone Europese middelgrote landen – ook als ze met een post-imperiale kater worstelen – moeten weten dat je sommige problemen beter supranationaal kunt oplossen. Europa moet „een superpower zijn, maar geen superstate”, zei Blair.

Dat laatste spook, dat de Tories al decennia achtervolgde, wist ook Blair niet uit te bannen. Het land (en ikzelf) was ‘afgeleid’ door de oorlogen na 11 september 2001 en de inval in Irak (2003) en natuurlijk de bomaanslagen in Londen van 7 juli 2005, de laatste dag van mijn correspondentschap. Al die tijd voelden veel Britten de angst groeien voor de Brusselse octopus die zijn tentakels over de slotgracht probeerde uit te strekken. We deden er lacherig over, het vermeende verbod op kromme bananen of blote decolletés van Duitse serveersters, maar ze bleven groeien, de mythes. Hoe machtig ze zouden worden, heb ik niet voorzien. En ik kan het eigenlijk nog steeds niet geloven.

Hans Steketee was NRC-correspondent in Londen tussen 1998 en 2005.

Floris van Straaten
‘Dat de Britten er werkelijk uit zouden stappen, geloofde bijna niemand’

Het gonsde overal van het Pools, Tsjechisch en andere Slavische talen, toen ik begin 2005 neerstreek in Londen. Met een pennenstreek had Tony Blair, vermoedelijk de meest Europagezinde premier die het land ooit heeft gehad, erin toegestemd werknemers uit de nieuwe EU-lidstaten in 2004 ongehinderd toe te laten. Groot-Brittannië was het enige grote EU-land dat voor zo’n liberale aanpak koos. Het resultaat: een invasie van honderdduizenden werklustige jongeren uit Midden- en Oost-Europa.

„Er zijn twee opvattingen over Europa”, hield Blair in oktober 2005 NRC en andere Europese media bij een gesprek in Downing Street voor. „De ene is feitelijk pessimistisch van aard en ziet de mondialisering en de verdere uitbreiding van de EU als een bedreiging. De andere ziet beide zaken juist als een buitengewone kans, die Europa sterker kan maken.”

De middenklasse ontving de immigranten met open armen. Voor een prikje was er plotseling een loodgieter, elektricien of vioollerares te vinden. Al snel was er vrijwel geen pub of restaurant meer waar geen immigranten werkten. Vaak met povere kennis van het Engels. „Sommigen begrijpen je niet eens wanneer je aan de bar een zakje chips bestelt”, mopperde een Britse vriend eens.

Vooral Londen droop destijds van de welvaart. Op het decadente af. De duurste restaurants zaten vol, de Ferrari’s vlogen de deur uit, het zoontje van een bevriend echtpaar bezocht een verjaarspartijtje, waarbij de kinderen per helikopter boven Londen werden rondgevlogen. Veel Britten ontstegen materieel gezien voor het eerst de working class, al bleven ze zich gevoelsmatig tot hun oude klasse rekenen. Een nieuwe identiteit is geen nieuw pak dat je zo uit de winkel meeneemt.

Tegelijk legde de massale immigratie een kiem voor een nieuwe golf van anti-Europese sentimenten. In het bijzonder bij lokale vaklui, die hun inkomen zagen kelderen en soms werkloos werden. „Dit jaar kan ik voor het eerst geen kerstcadeautjes voor mijn vijf kleinkinderen kopen”, vertrouwde een werkloze bouwvakker me toe in een pub in Liverpool, eind 2006.

In 2007 stapte Blair op, onherstelbaar beschadigd door de halve en hele onwaarheden waarmee hij zijn land in 2003 de oorlog in Irak had ingeloodst. Zijn opvolger, de stuurse Schot Gordon Brown die het zonnige optimisme van Blair ten enenmale miste, moest het hoofd bieden aan een zware financiële en economische crisis. Met staatssteun werden banken gered. Dezelfde banken die jarenlang kolossale bonussen hadden uitgekeerd aan een kleine groep. Ook dat leidde tot wrokkige gevoelens jegens het politieke en economische establishment, vooral buiten Londen, waar velen de crisis al snel in hun portemonnee voelden. Hadden fabrieken in Noord-Engeland immers staatssteun gekregen toen ze in nood raakten? Nee.

Intussen liep de pro-Europese opstelling van de Britten de eerste krassen op. Uit de nieuwe lidstaten Roemenië en Bulgarije werden immigranten zo lang mogelijk buiten de deur gehouden. De Tories stapten onder David Cameron uit de Europese Volkspartij in het Europees Parlement. Tegen de tijd dat ik Londen in de zomer van 2010 verliet, heerste er al onmiskenbaar meer scepsis jegens Europa. Maar dat de Britten daadwerkelijk uit de EU zouden stappen, geloofde bijna niemand. Iemand als Nigel Farage van UKIP werd bespot. Een decennium later lacht Farage het laatst.

Floris van Straaten was NRC-correspondent in Londen tussen 2005 en 2010.

Titia Ketelaar
‘Voortdurend hoorde ik: het gaat fout met dit land’

Foto Marleen Daniëls

Wie goed luisterde, zag de Brexit in de jaren vóór het referendum van 2016 aankomen. In de wandelgangen van het Conservatieve partijcongres, in de herfst van 2011, tekende ik op: „Er was altijd wel iemand die de vraag stelde: moet er niet een referendum worden gehouden? In or out?”

Het waren voor het eerst jonge eurosceptici die dat zeiden, niet de Tory-rebellen die al vanaf de toetreding in 1973 morden over de common market. Deze nieuwe generatie Engelse politici was, net als premier David Cameron, politiek bewust geworden tijdens Thatchers ‘no no no’-jaren, keerde zich tegen de regelzucht van de EU en ging uitzoeken welke bevoegdheden er waren „terug te halen uit Brussel”.

De EU was door verdere integratie van de eurozone aan het veranderen, vonden ze. Tijd dus voor een heroverweging van het Britse lidmaatschap. Onder druk van zijn partijgenoten zou Cameron elke maand meer en meer naar een referendum toebewegen.

Maar, schreef ik in 2011 nog: „Dat euroscepticisme van de Conservatieven staat in schril contrast met de euro-apathie onder de rest van de Britten. Ook al zegt 47 procent desgevraagd uit de EU te willen stappen, belangrijk vinden ze het onderwerp niet. De gewone kiezer maakt zich vooral zorgen over de bezuinigingen, gezondheidszorg, werkloosheid, criminaliteit en onderwijs.”

Engelse euroscepsis was altijd amusant geweest, met voorpagina’s die repten over een EU-verbod op het hergebruik van jampotjes of eieren die per se per gram in plaats van per dozijn verkocht moesten worden. Dieper borrelde er iets en die zorgen bleken de crux.

Want van de economische welvaart die het Europese lidmaatschap had moeten brengen, hadden Engelsen die niet in Londen of het rijke zuidoosten woonden weinig gemerkt, wél van de crisis. Juist in voormalige industriesteden in het noorden, in verlopen badplaatsen en havensteden aan de kust en op het platteland hoorde ik voortdurend: „Het gaat fout met dit land.” Wie de schuldigen waren, was moeilijker te bepalen. Maar unelected Brussels bureaucrats waren dat zeker.

Onderwijl wakkerde het Schotse onafhankelijkheidsreferendum in Engeland een gevoel van onbehagen aan. Ik hoorde Engelsen steeds vaker vertellen dat hun cultuur onder druk stond. Enerzijds omdat Engeland „een provincie van Europa” zou zijn geworden, anderzijds door de komst van immigranten, grotendeels uit Oost-Europa.

De beste samenvatting van het ongemak gaf Kay Grey in Great Yarmouth, een kustplaats in Oost-Engeland: „Ze staren zo. En omdat ze geen Engels spreken, weet je niet of dat hun gewone manier van doen is.” In die stad zou 71,5 procent van de kiezers voor Brexit stemmen.

Nigel Farage, van de UK Independence Party (UKIP), hoorde de zorgen. Hij identificeerde het probleem – immigratie – en verbond er een oplossing aan: Brexit. EU-burgers konden zich ‘zo maar’ vestigen. Premier David Cameron bevestigde dit door te gaan onderhandelen met Brussel over „een noodrem” op EU-migratie. En hij opende de doos van Pandora door te zeggen dat hij uittreding niet uitsloot. Een positief verhaal over wát de EU dan betekende, had de premier niet.

De campagnegroep Vote Leave wel. Voor alle zorgen was één oplossing: Neem de macht terug! Zeggenschap over eigen wetten, over besteding van geld, over grenzen. Take Back Control!

Het was zover om twintig voor vijf, 24 juni 2016. „We’re Out” , sprak BBC-presentator David Dimbleby. Als ik het fragment bekijk, krijg ik nog altijd kippenvel. Drie woorden die toekomstbepalend zijn.

Titia Ketelaar was NRC-correspondent in Londen tussen 2010 en 2016.