Opinie

Het was de hoogste tijd voor excuses aan oorlogsslachtoffers

holocaust

Commentaar

Opeens waren ze er: de excuses. Minister-president Mark Rutte (VVD) deed afgelopen zondag op de nationale Auschwitz-herdenking in Amsterdam namens de Nederlandse regering, wat veel andere landen al eerder deden. In niet mis te verstane bewoordingen bood hij zijn excuses aan voor het overheidshandelen tegenover Joden, Roma en Sinti tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Excuses voor het wegkijken voor het onbeschrijfelijke leed dat hen is aangedaan. Te weinig hulp, te weinig bescherming, te weinig erkenning. De overheid is volgens Rutte „tekort geschoten toen een groep landgenoten onder een moorddadig regime apart werd gezet, buitengesloten en ontmenselijkt”. En, zo zei hij verder, „toen het gezag een bedreiging werd, zijn de overheidsinstanties tekort geschoten als hoeders van recht en veiligheid.”

Eindelijk de excuses van de regering van het land dat de beschamende status heeft procentueel het hoogte aantal Joodse slachtoffers te tellen. Ze kwamen een dag voor de 75-jarige herdenking van de bevrijding van vernietigingskamp Auschwitz.

Het was de hoogste tijd. Net op tijd voor de laatste overlevenden komt de Nederlandse regering met dit gebaar. Want een gebaar is het. Zoals premier Rutte zelf in zijn korte, maar des te indrukwekkender toespraak zei: geen woord kan zoiets groots en gruwelijks als de Holocaust ooit omvatten.

Getuige de terecht instemmende ontvangst alom van Ruttes woorden was Nederland rijp voor het maken van excuses. De geschiedenis kon en mocht blijkbaar definitief worden hertekend. Ja, er was in die oorlogsjaren sprake van verzet tegen de bezetter, ja er werd hulp geboden aan vervolgden. Maar het andere verhaal is dat vooral ook heel veel niet werd gedaan en Nederland koos voor wegkijken: tijdens maar ook nog eens na de oorlog. Die onverschilligheid ontaardde voor de slachtoffers in de beruchte ramp na de ramp.

Stukje bij beetje is de kentering tot stand gebracht. Toenmalig koningin Beatrix zei in 1995 bij een bezoek aan Israël dat Nederland zich „met verbijstering en verslagenheid dient af te vragen” waarom het Nederlandse volk de ondergang van zijn Joodse medeburgers niet heeft kunnen voorkomen. Voormalig premier Wim Kok (PvdA) maakte in 2000 namens de regering excuses voor de „kille ontvangst” die Joodse overlevenden van de Holocaust in Nederland ten deel was gevallen.

Maar het nemen van verantwoordelijkheid voor het handelen van de eigen overheid is stelselmatig vermeden. De afweging is een lastige. Staat een collectieve schulderkenning voor verkeerd handelen het eveneens getoonde heldhaftige gedrag van individuen niet in de weg? Nee. Zolang duidelijk wordt gemaakt dat dit geen tegenstelling is – en dat is het niet – zijn excuses geen desavouering van degenen die destijds aan de goede kant stonden.

Slechts weinigen waren vooraf op de hoogte van Ruttes openbare boetedoening namens de regering. De premier heeft er goed aan gedaan zijn voornemen in zeer kleine kring te houden. Een debat vooraf zou het gevaar in zich hebben gehad van een beladen nationaal debat dat de inhoud van de excuses alleen maar zou hebben ontkracht.

Dat debat kan achteraf gevoerd worden. Sterker nog, moet zelfs gevoerd worden. Maar bovenal is de opdracht voor de huidige regering dat wat destijds is voorgevallen nooit meer mag gebeuren.