Opinie

Eindelijk excuses

Frits Abrahams

Waarom nu pas? Dat zal dé vraag blijven na het ruimhartige excuus van premier Rutte voor het falen van de overheid tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Om die vraag te voorkomen had de premier er goed aangedaan al in zijn rede tijdens de Auschwitzherdenking het begin van een antwoord te formuleren.

Bijvoorbeeld: „Ja, we hebben het er vroeger in de ministerraad weleens over gehad, maar waar moet je beginnen? Er hebben zoveel instanties gefaald. Het begon al bij onze regering in ballingschap…”

Je ziet ze zitten, Rutte en zijn ministers op een winterse namiddag rond hun Haagse tafel. Buiten wordt het al donker, naast hen staan hun aktetassen vol met veel urgentere dagelijkse kopzorgen. Je hoort ze denken: „Waarom moet Mark daar nou wéér over beginnen? Ja, hij moet binnenkort weer naar die herdenking, maar hij kan toch wel een tekst vol compassie en empathie laten schrijven door zijn ambtenaren? Misschien kan het woordje ‘spijt’ er ook nog in als een welgemeende handreiking. Excuses? Ach, dat kan altijd nog.”

Ongeveer zó moeten ze het elk jaar opnieuw voor zich uit hebben geschoven. Tot iemand bij een ambtelijk topberaad op een dag uitriep: „Het wordt een jubileumherdenking: Auschwitz 75 jaar geleden bevrijd! Het is nu of nooit!”

„Maak een conceptje”, zal de premier hebben geopperd. „Mag het woord ‘excuses’ erin?”, vroeg een ambtenaar, die over 25 jaar niet het verwijt wilde krijgen dat „onze overheidsinstanties” nu precies een volle eeuw tekort waren geschoten. „Nou, vooruit, probeer het”, antwoordde de premier.

Het resultaat mocht er zijn, zoals we zondag konden horen. Vooral de zin: „Toen het gezag bedreigend werd, zijn onze overheidsinstanties tekortgeschoten, als hoeders van recht en veiligheid.”

Wat zou Loe de Jong ervan gevonden hebben als hij dit nog had mogen meemaken? Ik vermoed dat hij met een licht vermoeid schouderophalen verwezen zou hebben naar zijn dertiendelige boekwerk (16.800 bladzijden) Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Daarin citeert hij al in deel 5 Willy Lages, hoofd van de Sicherheitsdienst in Amsterdam, die in 1962 heeft gezegd dat zonder de medewerking van de politie nog geen tien procent van de bezettingsdoeleinden – en nog geen tien procent van de Jodenvervolging – gerealiseerd had kunnen worden. In deel 6 voegde De Jong eraan toe dat de Nederlandse overheid „volledig verstek” had laten gaan bij de bescherming tegen Jodenvervolging. „Zonder noemenswaardig verzet deden de bij de deportaties betrokken instanties wat van hen verlangd werd.”

De Jong zat zelf tijdens de oorlog in Londen bij Radio Oranje. Hadden ze daar in 1943 niet iets moeten doen met een schokkend rapport van het Jewish Congress over Auschwitz? Zijn collega A. den Doolaard suggereerde – zonder bewijs, volgens De Jongs biograaf Boudewijn Smits – dat De Jong het rapport had achtergehouden en het alleen met premier Gerbrandy had besproken. De Jong heeft later wel toegegeven dat „de berichtgeving van Radio Oranje, waarvoor ik zelf een stuk verantwoordelijkheid draag, belangrijke manco’s heeft vertoond”.

Zo hebben velen wel wat boter op het hoofd als het de Tweede Wereldoorlog betreft. Misschien dat die oorlog ons ook daarom zo blijft bezighouden.