De sportheld die zich vastklampt aan poëzie

Vanuit de VS schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: hoe een oud-topsporter tobt met de gevolgen van zijn sportcarrière.
Illustratie Eliane Gerrits

Op straat wordt hij, zo’n veertig jaar later, nog altijd herkend. Als mensen erom vragen, zet hij gevleid een zwierige handtekening. Dan is hij weer even de succesvolle American football running back uit zijn studententijd. De superster, die alle ogen in volle stadions op zich gericht wist.

Maar inmiddels kijkt hij met gemengde gevoelens terug op zijn sportverleden. Sinds tien jaar stapelen de medische problemen zich op. Zijn verschijnselen passen in het standaardverloop van de ziekte waar menig sporter doodsbang voor is. Dat van chronische traumatische encefalopathie (CTE), blijvende hersenbeschadiging door herhaaldelijk hoofdletsel. Een wel heel hoge prijs voor een sportcarrière.

CTE is een nachtmerrie voor menig atleet, vooral van contactsporten met regelmatig stoten tegen het hoofd, zoals boksen, worstelen, ijshockey, American football en ook ons eigen voetbal. We weten nu dat elke slag een minihersenschudding veroorzaakt, met op termijn ernstige consequenties voor het brein. Ironisch genoeg kan de beste diagnose pas na iemands dood worden vastgesteld door de hersenen te bekijken. Maar ondertussen zien artsen een vast patroon van verschijnselen. Zoals duizeligheid, verwarring, hoofdpijn, concentratieverlies, depressieve stoornissen en gedragsproblemen. Het laatste en meest gevreesde stadium is dementie.

Maanden lag hij ziek op bed, ziekenhuis in en uit. Hij kreeg last van zijn ogen en moest weer leren lopen. Zijn goede baan – hij was behalve topsporter ook een briljant student – – is hij inmiddels kwijt. Maar zijn vrouw is nog altijd zijn grootste fan, ook nu er weinig over is van haar held van toen.

Ik ben blij dat ik hem zie, na een tijd waarin er alleen maar zorgwekkende berichten binnenkwamen. Maar hij is in goeden doen en samen met zijn vrouw voor het eerst weer op pad. Hij vertelt me over de verschillende therapieën, voor zijn lichaam en zijn hersenen, waar hij zijn dagen mee vult. Dan begint hij enthousiast te vertellen over iets nieuws. Poëzietherapie. „Met poëzie had ik nooit veel op”, vertelt hij. „Maar gedichten schrijven is nu mijn grootste uitdaging. Sterker nog, een levensdoel.”

De therapeut drukte hem op het hart dat de gedichten niet hoeven te rijmen. „Maar”, legt hij uit, „juist rijmen biedt nu de structuur die ik nodig heb. Het gedicht wordt dan een ding waaraan ik houvast heb.”

Ondertussen ben ik benieuwd geworden naar zijn gedichten. Mag ik ze misschien lezen? Dat mag. Hij haalt een beduimeld schriftje uit zijn binnenzak.

„Hierin schrijf ik alles op wat ertoe doet”, zegt hij.

„En, wat doet ertoe?”, vraag ik.

„Mijn vrouw”, zegt hij.

En dan begint hij een liefdesgedicht voor te dragen. Over de eerste keer dat hij zijn vrouw zag bij het universiteitssportveld. Ze droeg een geruit rokje en haar lange rode haar zat in een paardenstaart. Hij dicht hoe ze nog steeds, ook nu nog, in hem gelooft. En hoe dat hem helpt om te gaan met de hevige angsten waaraan hij lijdt.

Vanaf de andere kant van de kamer werpt zijn vrouw hem een bezorgde blik toe. Haar held. Haar kasplantje.

Reacties naar pdejong@ias.edu