Caspar Hallmann ziet een domino-effect: „Eerst sneuvelen de insecten, dan de insecteneters en dan de roofvogels.”

Foto Dieuwertje Bravenboer

Interview

‘Insecten zijn te redden, als we snel zijn’

Ecoloog Caspar Hallmann Als het slecht gaat met insecten, gaat het slecht met de héle natuur, zegt Caspar Hallmann. „Mensen letten niet op insecten.”

Boven het Griekse dorpje waar hij opgroeide zag ecoloog Caspar Hallmann (37) soms vier verschillende soorten gieren tegelijk zweven: de monniksgier, de vale gier, de aasgier en de lammergier. „Mijn vader hield als bioloog al die toppredatoren in de gaten, met de gedachte: als je weet hoe het met die soorten gaat, weet je hoe het ervoor staat in de rest van de voedselketen.” Nu, dertig jaar later, is het beeld er niet rooskleuriger op geworden. „Laatst was ik bij mijn ouders op bezoek, maar alle vier zijn daar al uitgestorven. Hier in Nederland is het hetzelfde verhaal. Natuurlijk hebben we geen gieren. Maar ook vogels als de kleine karekiet, de grasmus en de boerenzwaluw zijn in de afgelopen decennia in rap tempo achteruit gegaan.”

Uit Hallmanns broekzak klinkt een nachtegaal – zijn ringtone. Een paar jaar geleden roffelde diezelfde telefoon vrijwel non-stop. Het was 2014, en Hallmann had net met collega’s van de Radboud Universiteit een artikel in Nature gepubliceerd. In het artikel toonde hij aan dat hoge concentraties neonicotinoïden – inmiddels berucht als bijengif – samenhingen met de achteruitgang van insectenetende zangvogels.

„In die tijd kwam de neonicotinoïde imidacloprid in een slecht daglicht te staan. Onderzoekers van de Universiteit Utrecht hadden aangetoond dat er in water met een hoge concentratie van dat gif minder insecten voorkwamen. Dus ik vroeg me af: hoe zit dat met vogels in de buurt van het water? In gebieden met twintig nanogram imidacloprid of meer per liter water – en dat is echt niet zoveel - bleken vogelpopulaties jaarlijks gemiddeld met zo’n 3,5 procent af te nemen.”

Van de vijftien onderzochte soorten vertoonden er zes een significante afname in gebieden met verhoogde concentraties in oppervlaktewater: gele kwikstaart, boerenzwaluw, de veldleeuwerik, de grasmus, de spreeuw en de grote lijster.

Aanvankelijk werden de resultaten van Hallmann met scepsis ontvangen. Insecticiden-fabrikant Bayer liet weten dat de conclusies ‘niet konden kloppen’, er kwamen Kamervragen. Maar Hallmanns berekeningen hielden stand. Hij had volgens zijn promotor Hans de Kroon gemodelleerd ‘tot hij er scheel van zag’ en er was maar één conclusie mogelijk: er was een directe correlatie tussen de vogelpopulaties en de insecticidenconcentraties. „Het lag voor de hand dat dit kwam door verminderde voedselbeschikbaarheid. Soorten als de rietzanger en de kleine karekiet eten tenslotte insecten.”

Een domino-effect: eerst sneuvelen de insecten, dan de insecteneters…

„… en dan de roofvogels. Aanvankelijk was niemand bij imidacloprid en andere neonicotinoïden bang voor zo’n effect, omdat het gif veel specifieker werkt dan bijvoorbeeld DDT. Bij de introductie halverwege de jaren negentig was dat ook het pluspunt: je dompelde een plantenzaadje in de insecticide, waardoor het gif alléén de insecten zou treffen die daadwerkelijk van de plant aten. Inmiddels blijkt dat een illusie: zo is uit een Amerikaans onderzoek gebleken dat zaadetende trekvogels die de giftige zaden eten later beginnen aan hun trek. Logisch – als jij en ik iets verkeerds hebben gegeten blijven we ook het liefst op de bank – maar wel nadelig: vogels die later aankomen op de plek van bestemming kunnen bijvoorbeeld meer moeite hebben met het vinden van een broedplek.

„We vermoedden op basis van onze gegevens dus dat ook insectenetende vogels te lijden hadden onder het gif, en dat dat kwam door de afname van het aantal insecten. Maar om dat aan te tonen hadden we langjarige gegevens nodig over de insectenstand.”

Die gegevens waren aanwezig in het Duitse Krefeld. Bijna dertig jaar lang hadden entomologen daar vliegende insecten gevangen, die via een tentje van gaas in een pot alcohol terechtkwamen. Hallmann: „Ze zagen wel dat de potjes door de jaren heen leger werden. Maar nauwkeuriger hadden ze er nog niet naar gekeken.” Hallmann berekende vervolgens op basis van die potjes dat driekwart van de vliegende insectenbiomassa in drie decennia was verdwenen.

In Nederland gaat de biodiversiteit achteruit. Lees ook: Hier en daar een snippertje biodiversiteit

Wéér was je onderzoek wereldnieuws.

„Ja, eerst dachten we nog: misschien is er één grote hommelsoort sterk in aantal afgenomen. Met biomassa-afname meet je de bulk, dus je weet niet hoeveel soorten je precies kwijt bent. Maar toen zijn we in detail naar één groep binnen die bulk gaan kijken, de zweefvliegen, en zagen we dat de afname heel breed was, het ging met heel veel soorten slecht.

„Dat blijkt ook uit langlopend Nederlands onderzoek dat we de afgelopen jaren hebben geanalyseerd – onder andere nachtvlinders en schietmotten en loopkevers zijn in aantal afgenomen. Maar al met al weten we nog weinig van de Nederlandse situatie, zeker als je in je achterhoofd houdt dat we hier zo’n 20.000 verschillende insectensoorten hebben.”

Onlangs publiceerde een team van ruim zeventig internationale wetenschappers, onder wie Hallmann, in Nature Ecology & Evolution een ‘roadmap’ voor insectenbehoud. Op de korte termijn is er volgens de wetenschappers vooral behoefte aan ‘no regret’-solutions – oplossingen die meteen genomen kunnen worden. Op de middellange termijn is er behoefte aan extra onderzoek, en op de lange termijn aan een globale insectenmonitoring.

Wat kunnen we nú doen om insecten te beschermen?

„Ecologische landbouw zou al een stap in de goede richting zijn, net zoals bijvoorbeeld het verminderen van lichtvervuiling en versnippering. Herstel kán snel gaan. Eén enkele vlinder legt soms wel een paar honderd eitjes. Dus als we de juiste maatregelen vinden, heb ik er vertrouwen in dat veel insectensoorten nog te redden zijn.”

Waarom weten we nog zo weinig van insecten?

„Mensen letten niet op insecten. Ja, entomologen natuurlijk wel, maar het is zo’n gecompliceerde taxonomie die je moet doorworstelen… Dan ben je al keiblij als je hebt uitgewerkt om welke soort het gaat. Wij als vogelaars zijn geïnteresseerd in het grote plaatje – ons maakt het niet uit of een vogel insectensoort A of soort B eet. Daarom dachten we lange tijd dat insecten niet zo interessant waren. Daar komt nu verandering in.”

Krijg je geen machteloos gevoel van alle negatieve cijfers?

„Dat hangt ervan af hoe snel er actie wordt ondernomen. In Frankrijk zijn pesticiden al verboden en de EU wil een bestuivermonitoring. We hebben als onderzoekers nu twee belangrijke vragen te beantwoorden: hoe komt die achteruitgang van insecten, en wat gaan we eraan doen?

„In mijn proefschrift heb ik wel een aantal factoren genoemd die samen die grootschalige achteruitgang kunnen verklaren - naast het gebruik van insecticiden bijvoorbeeld klimaatverandering, versnippering en overbemesting. Hoe het precies in elkaar steekt, daar zijn we nog niet uit, er is geen allesverklarende Wet van Hallman.”