Een Haagse routinier die een boekje opendoet over de ‘baantjescarrousel’

Deze week: de verdere escalatie van de koude oorlog tussen topambtenaren en politici.

Ofwel: Wim Kuijken, eerder de hoogste adviseur van twee premiers, over de vergeten oorzaken van ‘ambtelijk falen’.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

De hoge heren waren weer een geliefd doelwit, deze week in Den Haag. De hoge heren die elkaar baantjes toeschuiven.

Want opnieuw doken berichten op over topambtenaren die ondermaats hadden gepresteerd, en vervolgens een nieuwe topfunctie kregen.

Dus de Tweede Kamer, dinsdag in debat over de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst, waardoor honderden mensen met een uitkering jarenlang onterecht werden behandeld als fraudeur, had enorm zin om los te gaan op de hoge heren.

Het verrassende was niet dat Renske Leijten, het SP-Kamerlid, de boventoon voerde. Daar is de SP voor opgericht. Deze mensen „verdienen veel geld”, zei ze, „en hebben nooit een boterham minder gegeten door de misstanden die ze voor elkaar kregen.”

Het bijzondere was dat Kamerleden van CDA, VVD en CU zich aansloten bij de kritiek op de Haagse ‘baantjescarrousel’. Thierry Baudet deed niet mee aan het debat – geen tijd, zei hij – maar zijn denken maakt school.

En zo dwongen coalitiepartijen premier Rutte de hoogste ambtenaren van het Rijk te verdedigen, verenigd in de Algemene Bestuursdienst (ABD). Politieke kritiek op deze mensen is unfair, zei Rutte met stemverheffing. Dan maak je ze „vogelvrij”, want ze kunnen zich „niet verdedigen”.

Leijten dacht: nu heb ik hem. Ze twitterde: „Als je aan de VVD-staatssecretarissen en een door de VVD bejubelde ambtenaar komt, dán wordt Rutte écht emotioneel.”

Het was de zoveelste keer deze kabinetsperiode dat spanningen tussen topambtenaren en politici aan de oppervlakte kwamen.

Wanneer je politiek als entertainment beschouwt, is het allemaal erg vermakelijk. Maar insiders weten: dit zijn gevechten met grote risico’s voor het vertrouwen tussen bewindslieden en hun ambtenaren.

Op zich bestaat kritiek op ABD-topambtenaren al langer. CDA-fractievoorzitter Pieter Heerma begon er vorig jaar al over bij de Algemene Politieke Beschouwingen. En Tjibbe Joustra, decennia topambtenaar, zei een jaar geleden op deze pagina: „We hebben een systeem gebouwd dat ervaring en deskundigheid in de ambtelijke top weg organiseert.”

Relatief nieuw is dat topambtenaren ook individueel doelwit van politici zijn. De oud-secretaris-generaal (SG) van Justitie en Veiligheid (JenV), Siebe Riedstra, lag binnen de coalitie al sinds de zomer van 2018 onder vuur. Hij legde zijn functie eind vorig jaar neer.

Bij de Belastingdienst, waar staatssecretaris Menno Snel (D66) aftrad wegens de toeslagenaffaire, vertrok ook directeur-generaal (DG) Jaap Uijlenbroek. Toen uitlekte dat hij mogelijk gemeentesecretaris van Den Haag werd, was dit mede aanleiding voor de kritiek in de Kamer deze week.

De verbittering hierover onder ambtenaren moet niet worden onderschat. Dit zit diep.

Ik vroeg daarom belet bij Wim Kuijken (67). Als SG van Binnenlandse Zaken initieerde hij in de jaren negentig de ABD. Een pool van topambtenaren die zich vereenzelvigen met de overheid, niet met één ministerie. Zijn idee: laat ambtenaren rouleren tussen departementen, dat verbetert samenwerking binnen de overheid.

Later was Kuijken onder meer de hoogste ambtelijk adviseur van de premiers Kok en Balkenende op Algemene Zaken, secretaris-generaal van Verkeer en Waterstaat en de rijkscommissaris voor de Deltawerken. Voor Rutte III evalueerde hij de Politiewet. Nu is hij onder meer de hoogste toezichthouder bij De Nederlandsche Bank.

„De vergeten vraag die onder de discussie over ‘falende topambtenaren’ ligt”, zei hij, „is of deze mensen door de politiek niet met onmogelijke opdrachten zijn opgezadeld.”

Hij was erbij in het Torentje, vertelde Kuijken, toen de toenmalige DG Belastingdienst in 2005 het kabinet afraadde de uitbetaling van toeslagen bij haar dienst onder te brengen. „Ze waarschuwde er uitvoerig tegen”, zei Kuijken. „Het paste niet in de cultuur.”

Maar het gebeurde, en het toeslagendossier werd een nachtmerrie. Twee staatssecretarissen traden tussentijds af. De Belastingdienst versleet vier DG’s in twaalf jaar.

„En dat zouden allemaal incompetente baantjesjagers zijn?”, zei hij. „Kán niet waar zijn.”

Op Justitie en Veiligheid, vertelde Kuijken, zie je iets vergelijkbaars. Een incidentenministerie werd in 2010 uitgebreid met 60.000 man politie. Nadien sneuvelden twee ministers en twee staatssecretarissen tussentijds, alsmede twee SG’s, één plaatsvervangend SG en talrijke DG’s. „Ook alleen zwakke broeders? Natuurlijk niet”, zei Kuijken.

JenV is voor 80 á 90 procent uitvoering, vaak op gevoelige terreinen: politie, OM, asiel, gevangenissen, TBS-klinieken. „De politiek heeft een organisatie gecreëerd die te groot en te complex is om te besturen.” De oplossing, zei hij, is allang duidelijk: de politie terug naar Binnenlandse Zaken.

„Dus deze twee zaken gáán niet primair over falende ambtenaren”, zei Kuijken. „Dit gaat primair over falende politiek.”

Niet dat hij zonder kritiek is op zijn geesteskind, de ABD. „Die moet snel hervormd worden.” Want ook hij vindt dat inhoudelijke deskundigheid van hoge ambtenaren een te kleine rol is gaan spelen. En mensen die het vak niet aankunnen moet je uitplaatsen, niet verplaatsen. „We wilden destijds daarom 25 procent benoemingen van buiten. Dat is verwaterd.’’

Maar ook hierin speelde de politiek, vooral Rutte, een slechte rol. Hij bepaalde dat topambtenaren hooguit zeven jaar op een post mogen blijven. „Onveilig, dus goede mensen vertrekken.” En de achterblijvers loeren voortdurend op vervolgfuncties. „Dan bouw je te weinig routine in ministeries op.”

Ook werden topambtenaren angstig voor openbare optredens. Kuijken houdt van een voorval uit de jaren tachtig, toen een topambtenaar van Sociale Zaken zich openlijk keerde tegen een privatiseringsplan van zijn minister, wijlen Jan de Koning (CDA). Waarop De Koning reageerde: dat mag hij zeggen, maar ik handhaaf het plan. „Zo hoort dat.”

„Dus ik hoop”, zei Kuijken, „dat Kamerleden zich realiseren dat ambtenaren veilig hun werk moeten kunnen doen.” Want als elke fout wordt gezien als bewijs van ambtelijke incompetentie, worden degenen die niets durven de ambtelijke uitblinkers.

„Mensen moeten wel het gevoel houden dat ze fouten kunnen maken. Anders valt alles stil.”

De ABD, zei Kuijken, kwam er ook omdat topambtenaren destijds vaak decennia op hun post zaten - en hun bewindspersoon overvleugelden. Fameus is het voorval bij de start van Paars II in 1998, toen Rick van der Ploeg, de nieuwe staatssecretaris van cultuur, kennismaakte met zijn DG Jan Riezenkamp.

„Hoe lang blijf jij nog?”, zei Van der Ploeg. Riezenkamp: „Langer dan jij.”

En het paradoxale is, dacht ik na het gesprek met Kuijken, dat de Kamer nu het gevaar loopt dat men vergelijkbare ambtelijke onaantastbaarheid creëert. Meer dan ooit bleek de afgelopen periode immers dat hoge ambtenaren als kadaverambtenaren worden behandeld wanneer ze uit loyaliteit onzichtbaar blijven: wie geen publieke bekendheid heeft, kan zomaar, zonder weerwoord, door Kamer en kabinet onder de bus worden gegooid.

Dus de reactie laat zich raden. De nieuwe generatie zal zich hiertegen wapenen, en dan keert de BT’er terug: de Bekende Topambtenaar. Topambtenaren die net als politici hun reputatie mede ontlenen aan hun bekendheid. En net zo onaantastbaar worden als de topambtenaren die in de jaren negentig de reden voor de oprichting van de ABD waren.

Dan hebben al die Kamerleden met hun kritiek op de ambtelijke ‘baantjescarrousel’ alleen bereikt dat ze de positie van topambtenaren hebben versterkt – en die van politici verzwakt.