Bert Keizer.Foto Frank Ruiter

Interview

Schrijver Bert Keizer: ik denk zelden niet aan de dood

Lunchinterview Bert Keizer (72), verpleeghuisarts in ruste en filosoof, denkt heel soms níét aan de dood. „Een voor een worden we weggeplukt, wat ís dit voor onderneming?”

Geen dokter die zo vrolijk over de dood kan doen als Bert Keizer (72). En zo pesterig. „In de navolgende bladzijden gaan we niet in verbijsterde ontzetting boven het graf hangen”, schrijft hij in zijn nieuwste boek. „Al is dat wel de positie waarin wij ons bevinden.” Waarna hij je in een paar honderd lemma’s – van de A van As tot de Z van Ziel – laat griezelen en grijnzen over de enige zekerheid die we hebben in het leven: vroeg of laat ga je eraan.

Hij is verpleeghuisarts in ruste, schreef eerder bestsellers als Het refrein is Hein en werkt bij het Expertisecentrum Euthanasie. En hij is filosoof. Reis om de dood, de titel van zijn boek (vijf ballen in NRC), is helemaal Wittgenstein. Gaan we het nog over hebben bij deze lunch – nou ja, lunch, hij heeft genoeg aan een stukje appeltaart – maar eerst: zijn moeder.

„Mijn moeder?”, zegt hij, zogenaamd verbaasd, terwijl hij het in zijn boek best vaak over haar heeft. Ze ging dood toen hij een ventje van elf was, de jongste van zes kinderen. „Vertel, wat wil je weten?” Op mijn antwoord wacht hij niet. Monoloog: „Ze was een boerendochter uit Bunschoten, geboren in 1905 en gestorven in 1959, aan levercirrose, toen een onbegrepen ziekte, en ze had nooit gedronken, hè. Dus het moet een ontsteking als gevolg van een virus zijn geweest. Ik herinner me het niet als een afschuwelijk trauma in mijn leven. Dat komt, ze was een jaar ziek voor ze overleed. En dat sterfbed begon me na verloop van tijd te vervelen, want het was een prachtige zomer en ik wilde buitenspelen. Nee! Naar het ziekenhuis! En ze stonk, mijn moeder. Echt hoor, ze stonk. Enorme doorligwonden en er bestonden nog geen antidoorligmatrassen. Die wonden gaan heel snel necrotiseren, echt verschrikkelijk. Toen ze dood was viel ik niet in een emotioneel gat of zo. Een van mijn zussen runde het huishouden en het was – mijn verhaal, die zus denkt er anders over – een warm en veilig gezin, zeker niet ongezellig. Zeggen mensen: jij bent zeker gaan dokteren omdat je je moeder had willen helpen. Wat een onzin.”

Kleine middenstanders, katholiek, Amersfoort. Zijn vader was huisschilder en wilde niet dat Bert naar het gymnasium ging: te hoog gegrepen. Het werd hbs en daarna werken bij Philips in Eindhoven, met een lang gezicht. Scheikunde studeren mocht ook niet, zelfde reden. Lang verhaal kort: hij nam ontslag, ging reizen, werd portier in een hotel in Engeland, en toen: met een beurs filosofie studeren aan de universiteit van Nottingham. Filosofie? „Dat hou je over aan een godsdienstige opvoeding. Je wilt weten waarom je hier bent. Anders kun je niet voort. Ja, wel met tandenpoetsen en aankleden, maar als er na het eten iemand doodgaat, wil je weten in wat voor boot je eigenlijk zit. Een voor een worden we weggeplukt, wat ís dit voor onderneming?”

De beste lsd die er is

Op zijn zestiende had hij het boek van Karl Jaspers (psychiater, filosoof) over Kant gelezen. „Kon ik niet volgen.” Daarna een aulapocket over oosterse en westerse wijsbegeerte. „Met geen vlammenwerper doorheen te komen.” En daarna, al in Engeland, Bertrand Russels History of Western Philosophy. „Geweldig! Meteen Plato gekocht, De Republiek, ik was er kapot van. Als je Plato leest, góéd leest, ben je stoned, los van de aarde, de beste lsd die er is, en als je het uithebt, is álles anders.”

Goed. Wittgenstein, Ludwig Wittgenstein, de taalfilosoof en logicus die bij het grote publiek nog altijd beroemd is door zijn tot cliché verworden uitspraak ‘waarover je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen’. Nee, er volgt nu geen monoloog over Wittgensteins denkbeelden. Bert Keizer kan prima kort vertellen wat hij daar zo geweldig aan vindt. „Wittgenstein loopt op het koord tussen kijken naar de feiten – Jan gaat dood, Piet is net terug uit Amerika – en wat de mensen willen: dat de optelsom van die feiten ergens over gaat. Dat er iets boven hangt, of eronder, of erin, waardoor die feiten een structuur vormen met een betekenis. Wittgenstein erkent het verlangen, hij heeft het zelf ook, en zegt dan dat dat precies is wat we níét kunnen. Hoe klink ik?” Hij lacht. „Boven het oppervlak van de aarde valt er helemaal níéts te beleven. Dat is Wittgenstein. Tégen de platonische neiging om te zoeken naar de essentie, naar wat nou echt het goede is, of het huwelijk, of de dood. Want elke dood is anders, elk gezin is anders, elke trui is anders. Je zult continu op zoek moeten. Je kunt alleen proberen om in omtrekkende bewegingen iets te beschrijven.”

Na Nottingham kon Bert Keizer met een beurs door naar Cambridge, maar daar had hij geen zin in. „Kwam ook door Wittgenstein. Die zei: filosoferen is een vorm van dichten, als je er goed in bent, moet je het doen. Als je het alleen maar kunt bestuderen, moet je overdag iets anders doen.” En zijn hoogleraren leidden voor hem niet het soort leven waarvan hij dacht: dat wil ik ook. Zo sáái. Hij wilde wel eens wat anders zien, bleeding guts, een operatie, hoe het menselijk lichaam werkt, de hersenen. Dus keerde hij terug naar Nederland en schreef zich in voor de studie geneeskunde in Amsterdam. „Geen roeping”, zegt hij. „Nieuwsgierigheid. En de maatschappelijke status die je ermee krijgt. Aankomende geneeskundestudenten zullen dat nooit toegeven, hè, dat dat een van hun motieven is. Ik zou het ook nooit hebben toegegeven, al had je me gemarteld.”

Fast forward naar de eerste dag van zijn coschappen in het toenmalige Binnengasthuis. Daar begon zijn verzet tegen wat hij de mythe van de geneeskunde noemt, de zelf ontworpen structuur van klacht, onderzoek, diagnose en therapie waarin artsen de feiten plaatsen en dan denken dat ze er zijn. Want heel vaak, zegt hij, is het: klachten ja, diagnose onduidelijk, en een therapie is er niet. In Reis om de dood heeft hij het over „de suggestie dat een wetenschappelijke analyse van de gebeurtenissen in ons lichaam ons in staat stelt om het noodlot te keren.” Soms lukt dat, zegt hij, maar meestal niet, en uiteindelijk nooit. „Het sterftepercentage van de mens is nog steeds 100 procent.” Op de intensive care van het Binnengasthuis zag hij een oude man met terminaal hartfalen, al zijn organen vielen uit, en de artsen bleven maar doorgaan met behandelen. Antibiotica, zuurstof, infuus, vocht. „Ik vroeg waarom ze die man niet gewoon lieten doodgaan. Weet je hoe ze reageerden? Als door een wesp gestoken. Hoe kom je erbij? Wat doe je hier?”

Zoveel mwah, zoveel gestorven

Aan het eind van de coschappen hielden alle studenten een praatje en hij deed het over het falen van de geneeskunde. Hij had een enquête gehouden onder zijn medestudenten: alle patiënten die je hebt gezien, kun je ze even voor me indelen in zoveel genezen, zoveel mwah, zoveel gestorven. „Van de 140 waren er zeven of acht die echt beter waren geworden. Die cijfers presenteerde ik en iedereen was woedend. Niet: leuk dat je kijkt naar wat we nu eigenlijk in de winkel hebben. Nee, woedend.” Artsen doen aan ziekbedden, niet aan sterfbedden. Dat is wat hij eraan overhield.

Lees ook ons eerdere dubbelinterview (2018) met Bert Keizer en schrijver Henk Blanken: ‘Als je dood wil moet je zelf de knoop doorhakken’.

Bert Keizer werd verpleeghuisarts, een van de nederigste specialismen. Hij leerde om „goed gezelschap” te zijn van de lijdende mens en niet langer de genezende arts uit te hangen. „Zo was ik niet meteen, hoor”, zegt hij. „In het begin was ik bang voor stervende patiënten. Wat moet je doen? Ik liet ze bij voorkeur naar de eerste hulp van het VU-ziekenhuis brengen. Belde de internist me op: meneer Keizer, het is niet de bedoeling dat u al uw dilemma’s bij mij neerlegt. Voelde ik me betrapt, hè. Want het was zo. In godsnaam, kom niet bij mij de boel bevuilen. Ik zie het ook bij assistenten in opleiding. Zeggen ze aan het eind van de dag tegen je: mevrouw Jansen, daar moet morgen echt naar gekeken worden. Haha, waarom ga jij nu niet zelf naar haar kijken? Omdat je dan een beslissing moet nemen, morfine starten ja dan nee, en dat durf je niet. Allemaal onzekerheid.”

Nee, het was niet de filosofie die hem heeft geholpen om een dokter te worden die zich „op betekenisvolle wijze” weet op te stellen rond een sterfbed. Het waren, schrijft hij in Reis om de dood, de verpleegkundigen die hem op heikele momenten een duw in de rug gaven, zodat hij in sterfkamers belandde met een „geheel nieuwe diagnostische opdracht” die bestond in de vraag of hier goed, of ten minste draaglijk, gestorven werd. „Van een goed sterfbed komt een goed sterfbed”, zegt hij. „Als je ziet hoe het ook kan, ben je niet zo bang voor je eigen dood. Geldt voor alle omstanders.”

De vleugels van een archeopteryx

Nog even over zijn moeder, die hij in Reis om de dood bij de T van Teylers Museum ontroerd vergelijkt met het fossiel van de eerste vogel, de archeopteryx. „De prachtige manier waarop dit diertje tot stilstand was gekomen in steen deed me denken aan het sterfbed van mijn moeder, die helemaal niet schilderachtig tot stilstand kwam.” Met vergeefse hoop dacht hij: had zij haar vleugels maar zo mooi mogen dichtvouwen. En bij de D van Droom beschrijft hij de telkens terugkerende nachtmerrie die hij over haar heeft. Ze is dood en ligt in een kist bij het raam van de voorkamer. Hij komt dichterbij, iets of iemand stoot tegen de kist, ze schrikt op. Dat wil zeggen: haar lichaam reageert. Een oude angst bekruipt hem. Hij staat wéér bij een lijk dat niet dood is. Wat nu? Hij bukt, gaat naast haar zitten, neemt haar hand in de zijne. Dat lijkt wat te helpen. God, wat háát hij dit. Waarom is hier geen oplossing voor?

En dan zijn antwoord als ik opper dat hij misschien geen trauma heeft opgelopen door zijn moeders dood, maar wel een obsessie met de dood. „Geen idee. Er gaat geen lampje bij me aan als jij dat zegt. Al heb ik het er, dat is waar, maar heel soms níét over.”

Correctie (25 januari 2020): In een eerdere versie van dit stuk werd vermeld dat Casanova van Lasse Hallström Keizers favoriete film is. Dat moest zijn Casanova van Federico Fellini.