Recensie

Recensie

Van turf tot kiloknaller: goedkoop maken als strategie

Geschiedenis Met Columbus als gids schreven Raj Patel en Jason W. Moore een korte en krachtige geschiedenis van het kapitalisme.

Foto Qilai Shen

In 1636 kwamen meer dan achtduizend scheepsladingen turf Amsterdam binnen. Het was goedkope brandstof voor een centrum van wereldwijde handels- en geldstromen. Turf „zorgde ervoor dat het land verslaafd raakte aan goedkope energie”, schrijven Raj Patel en Jason W. Moore in Een geschiedenis van de wereld in zeven goedkope zaken. In die tijd werd de grondslag gelegd voor het koloniale rijk in Indonesië, waar eeuwen later de Koninklijke Shell zijn activiteiten begon. Zo zijn we binnen een paar alinea’s van het vroegmoderne Europa in het heden.

Het verhaal over de turf is een van de vele fascinerende voorbeelden die voedselactivist Patel en wereldhistoricus Moore gebruiken in hun scherpe analyse van het kapitalisme. Dat drijft op die ‘zeven goedkope zaken’: natuur, arbeid, levens, voedsel, zorg, energie en geld. Met goedkoop bedoelen ze niet alleen dat iets weinig kost, het betekent voor hen dat van alles als handelswaar wordt beschouwd, en zo beschikbaar wordt gemaakt voor het maken van winst. „Goedkoop is een strategie, een praktijk, een vorm van geweld, die allerlei typen van werk mobiliseert […] en daar zo min mogelijk voor teruggeeft.”

Met goedkoopte als leidraad beschrijven ze in tamelijk weinig pagina’s hoe kapitalisme is ontstaan, hoe het werkt en wat de effecten op de wereld zijn. Ze presenteren een veelomvattende visie, waarin ze verbanden leggen tussen van alles wat niet deugt: van uitbuiting, racisme en seksisme tot de vernietiging van ecologische systemen. Dat gaat soms op een wat wilde manier, maar ze maken er een boeiend betoog van.

Centraal staat de gecreëerde tegenstelling tussen Natuur en Samenleving (die ze met hoofdletters schrijven). De natuur werd een bron om uit te putten, of het nu ging om flora en fauna, inheemse volken of vrouwen. Daartegenover staat de samenleving, de geordende machinerie die de natuur kon en moest overheersen, zoals filosoof René Descartes had geschreven.

Kleine ijstijd

Veel aandacht schenken ze aan de lange zestiende eeuw (1450-1640). Het kapitalisme ontstond in die tijd min of meer toevallig als een oplossing voor een Europese crisis, die mede het gevolg was van een kleine ijstijd. Het vestigen van kolonies bood een uitweg. Het was een manier om winst te maken, om daarmee nog verder te expanderen. De exploitatie van de Cariben, het begin van de trans-Atlantische slavenhandel, maar ook veranderingen in de landbouw in Engeland en Nederland legden de basis voor het huidige systeem.

In bijna ieder hoofdstuk voeren de schrijvers Christoffel Columbus op, als iemand met een scherp oog voor goedkope zaken. Hij handelde in suiker vanaf ‘houteiland’ Madeira, waar de bossen waren gekapt voor de scheepvaart en later voor de suikerrietteelt. Slaven deden het werk. Aangeland in de Nieuwe Wereld zag hij meer soorten vruchten dan hij kon beschrijven. „Ze zullen allemaal wel wat opbrengen”, noteerde hij. En hij bezigde ‘gegenderde’ taal: hij beschreef de aarde niet als een bol, maar als een vrouwenborst waarin het paradijs op de plek van de tepel lag.

Lees ook het essay over de ware prijs: Geen stuntprijs zonder schaduwzijde

Destructieve machine

Het kapitalisme werkt, in de ogen van Patel en Moore, als een gigantische machine, die draait op de genoemde goedkope zaken en de samenhang daartussen. Voor goedkope arbeid is goedkoop voedsel nodig, dat kan bijvoorbeeld komen van suikerplantages. Of tegenwoordig van de platgebrande bossen in de Amazone, waar de soja wordt verbouwd voor de dieren die als kiloknallers eindigen in westerse supermarkten. De goedkope arbeid leunt op de vaak niet-betaalde zorg die vooral vrouwen leveren. En dat alles wordt aangevuurd door goedkope brandstof. Door die verwevenheid als uitgangspunt te nemen, biedt dit boek een waardevol en uitdagend inzicht.

Zo’n beeld van een machine, ook al is het een destructieve, heeft iets geruststellends. We leven niet in een chaos van toevallige gebeurtenissen, maar in een ‘wereldecologie’ waarin iedere gebeurtenis een verklaring heeft. Vanuit de crisis van het vroegmoderne Europa rolden we bijna vanzelfsprekend in het neoliberale en geglobaliseerde heden. Zo’n geschiedenis kan te glad worden en niet alles valt in dat raamwerk te passen. Zo schrijven de auteurs zelf dat de lonen in de prille kapitalistische economieën in Nederland en Engeland juist stegen.

Maar door hun onderwerpen strak te kiezen, kunnen ze hun bouwwerk overzichtelijk houden. Wat niet in hun materialistische benadering past, negeren ze grotendeels. Een echte geschiedenis van de wereld is hun boek niet, meer een academisch onderbouwd en toch over het algemeen zeer leesbaar manifest tegen het kapitalisme.

Hun inzichten vormen een ferme tegenhanger van de optimistische visies van mensen als Steven Pinker en Johan Norberg, die vooral de deugden en voordelen van het kapitalisme bezingen. Moore en Patel presenteren de toestand van de wereld niet als het product van oprukkende vooruitgang. Eerder waarschuwen ze ervoor dat het nog erger kan worden.

Toch proberen ze hun boek hoopvol te besluiten. De tegenstelling tussen natuur en samenleving moet worden opgeheven, voor minder gaan ze niet. Hoe dat bereikt moet worden, vertellen ze dan weer niet.