Henny Bos: „Gender non-conforme kinderen hebben meer psychosociale problemen.”

Foto Lars van den Brink

Interview

Transgender? Kinderen denken al stereotiep over geslacht

Transgenders Met de coming out van Nikkie ‘Tutorials’ de Jager is de emancipatie van transgenders nog niet voltooid, zegt hoogleraar Henny Bos. „Kinderen vertegenwoordigen waarschijnlijk de opinie van hun ouders.”

Henny Bos (56) doet onderzoek naar sexual and gender diversity in families en bij jongeren, maar haha, ze had niet door dat de wereldberoemde youtuber Nikkie de Jager (25) transgender is. „Ik kende haar van Wie is de Mol,” zegt ze. „En ik vond haar in combinatie met Rick Paul” – een van de andere kandidaten – „nogal komisch en leuk om naar te kijken. Ik was er totaal niet mee bezig wie of wat ze verder was.” Dus ja, die coming-out van Nikkie op YouTube vorige week – tientallen miljoenen keer bekeken en nu al beschouwd als een mijlpaal in de emancipatie van transgenders – was voor Henny Bos een verrassing. „Niet voor de mensen hier om me heen, hoor.” Ze zit op haar kamer bij maatschappij- en gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam, waar ze hoogleraar is. „Die zeiden: dat zag je toch metéén.”

Wat dacht u toen u naar de video keek?

„Moedig. En ook: geen fijne aanleiding, want ze werd gechanteerd, zegt ze. Dat zien we bij gender non-conforme jongeren wel vaker.” Gender non-conform: anders zijn of je anders gedragen dan op grond van je geslacht van je verwacht wordt. „Ze kunnen zich heel onveilig voelen doordat ze niet aan de dominante, heteroseksuele en cisgender norm voldoen. Daarom denk ik: wat moedig van Nikkie dat ze dit gedaan heeft en wat een mooi rolmodel is ze voor jongeren die zich afvragen hoe ze het moeten aanpakken – uitkomen voor hun genderidentiteit.”

Nikkies video kreeg wereldwijd honderdduizenden dislikes en miljoenen likes.

„Waaruit je zou kunnen concluderen dat we opener over genderdiversiteit beginnen te denken. Maar ik heb hier” – ze pakt haar schrift met notities – „de resultaten van een onderzoek dat we hebben gedaan onder kinderen op de basisschool, groep acht, in Nederland. De jongens kregen een verhaaltje te horen over activiteiten die georganiseerd zouden worden, traditionele jongensactiviteiten als voetballen en vissen, en dat er één jongen was, Tim, die zich nogal meisjesachtig gedroeg en meisjesachtige interesses had. De meisjes kregen ook zo’n verhaaltje, maar dan andersom, met een jongensachtige Laura, en de vraag was: mogen Laura en Tim meedoen? 33 procent van de jongens en van de meisjes vond van niet. En 40 procent vond dat Laura en Tim moesten veranderen om in de toekomst wel mee te mogen doen.”

Wat zegt dat?

„Dat kinderen van die leeftijd al conservatief zijn in termen van genderstereotypering. En waarschijnlijk de opinie van hun ouders vertegenwoordigen. Je kunt daar wel iets aan doen, hè. Op scholen in de VS gebeurt dat al veel meer dan hier. Kinderen die op school in aanraking worden gebracht met genderdiversiteit en er daardoor positiever over worden. Of in elk geval minder afwijzend.”

Klopt het dat kinderen die voor hun gevoel in het verkeerde lichaam zitten (0,6 procent van de jongens, 0,2 procent van de meisjes) daar op steeds jongere leeftijd hulp voor zoeken?

„Daar weten ze bij het genderteam van het VUmc, of Amsterdam UMC moet ik zeggen, meer van dan ik, maar ja: deze kinderen kloppen nu vaak al voor hun twaalfde bij hen aan en de wachtlijst is enorm. Het beleid in Nederland is om de puberteit uit te stellen door hormoonbehandeling, zodat deze kinderen langer kunnen nadenken of ze in transitie willen.

„Waar op het moment veel discussie over is: moet je gender non-conforme kinderen en hun ouders adviseren om alvast in sociale transitie te gaan? Dus leven in de andere rol dan die hun bij de geboorte is gegeven, kleding, haardracht, enzovoort. Wij gaan onderzoek doen bij jongeren die het hele traject achter de rug hebben. Hoe kwamen de beslissingen tot stand en wat zijn de ervaringen?”

Hoe komt het dat die leeftijd omlaag gaat?

„Meer tolerantie, ik denk door televisieprogramma’s als dat van Arie Boomsma, Hij is een Zij. Positieve aandacht in de media. Niet: er is iets mis met je en zorg maar dat je eroverheen komt. Maar ondanks die positieve aandacht zien we toch dat gender non-conforme kinderen en jongeren meer psychosociale problemen hebben – depressieve gevoelens, angst – en te maken krijgen met negativisme en vooroordelen. Ik vind dat tragisch.”

Zou je kunnen zeggen dat emancipatie van transgenders pas voltooid is als niemand zich er meer druk over maakt wie of wat ze zijn?

„Nou ja, dat vond ik zo mooi aan Valentijn, de documentaire van Hetty Nietsch over Valentijn de Hingh. Die documentaire is alweer van een jaar of twaalf geleden, maar daarin zegt Valentijn, die bij haar geboorte een jongen werd genoemd, heel mooi dat ze in transitie gaat omdat ze zich daar min of meer toe gedwongen voelt door de samenleving. Mensen denken binair: je moet in het ene of het andere hokje passen, man of vrouw en hier” – Henny Bos kijkt weer in haar schriftje – „heb ik een cijfer uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau: twintig procent van de mensen vindt dat er iets mis is met je als je je niet als man of vrouw wil labelen. Al kun je ook zeggen: tachtig procent vindt het kennelijk okay.”

Maakt het uit of je een jongen bent die zich een meisje voelt of een meisje dat zich een jongen voelt?

„Je formuleert het binair, hè.” Ze lacht. Ze struikelt zelf soms ook over haar woorden om te voorkomen dat ze binair klinkt. „Maar ja, dat maakt wel uit. Gabriël van Beusekom, die nu bij het Sociaal en Cultureel Planbureau werkt, is hier gepromoveerd op het psychische welbevinden van homo-jongeren en gender non-conforme jongeren, en hij zag dat jongens meer problemen hadden als de relatie met hun vader slecht was. Bij meisjes zag hij dat niet, en hij zag ook niet meer problemen bij jongens als hun relatie met hun moeder slecht was. Het ging echt om de vaders.”

Omdat die hun zoons afwijzen?

„Weten we niet, er is alleen onderzocht of de ouders in het algemeen accepterend waren. Maar ik denk dat deze vaders het moeilijk hebben met een wat vrouwelijker zoon. Het kan iets met hun eigen mannelijkheid te maken hebben. Misschien willen ze iets van zichzelf terugzien in hun zoon en dat zien ze dan niet. Of ze zien het wel en zijn er bang voor. Het kan ook bezorgdheid zijn: hoe gaat deze jongen het redden in de samenleving? En dat begrijp ik.”

Tot een jaar of twintig jaar geleden waren het vooral volwassenen die in transitie gingen.

„En dat betekende een heel andere dynamiek. Bij volwassenen zit er een groter systeem bij van partners en kinderen en vrienden en werk. Blijf je bij elkaar als een van de twee van geslacht verandert? Wat betekent het voor de identiteit van de partner die niet verandert? Er is veel onderzoek gedaan naar wat er gebeurt op de werkvloer: meer vooroordelen, meer pesten, minder kansen op carrière.”

Hoe is het met de kinderen van transgenders?

„Daar weet ik het fijne niet van, ik heb er zelf geen onderzoek naar gedaan. Ik weet wel dat het voor het welbevinden van kinderen niet uitmaakt of ze bij twee moeders opgroeien of bij een vader en een moeder. De belangrijkste voorspeller van psychosociale problemen bij kinderen is een slechte relatie met de ouders. Als ouders sensitief zijn, signalen goed oppikken en weten hoe ze moeten reageren, dan maakt het niet uit of ze man of vrouw zijn.”

U bent gepromoveerd op een onderzoek naar lesbisch ouderschap.

„Ja, en ik volg al bijna dertig jaar als mede-onderzoeker een grote groep kinderen met twee moeders in Amerika. Toen ze tien waren zagen we geen verschillen in welbevinden met kinderen uit de algemene populatie en iedereen zei: wacht maar tot ze in de puberteit komen. Bij zeventien zagen we weer geen verschillen en zei iedereen: wacht maar tot ze volwassen zijn, dan zijn ze in staat om op hun opvoeding te reflecteren. Bij 25 zagen nog steeds geen verschillen en toen was het: wacht maar tot ze zelf kinderen krijgen. Nu ze bijna dertig zijn, gaan we weer kijken. Ik ben benieuwd.”