Recensie

Recensie Boeken

Waarom won deze roman de BNG Bank Literatuurprijs?

Willemijn van Dijk Het fictiedebuut van historica Van Dijk werd bekroond met de BNG Bank Literatuurprijs (15.000 euro). Maar stilistisch vergaloppeert ze zich daarin danig. (●●)

Pallas, de hoofdpersoon van Het wit en het purper van historica Willemijn van Dijk (1984), koestert ‘ergens wel wrok [...] tegen het volk dat hem de ketens om heeft gedaan’. ‘Ergens wel’? Waar dan precies? Het is helaas niet de enige lelijke, slordige formulering in de roman.

Aan Het wit en het purper werd vorige week de BNG Bank Literatuurprijs toegekend, een prijs voor auteurs onder de veertig. De roman, Van Dijks fictiedebuut, speelt tussen 7 en 55 na Christus. Pallas, een vondeling, wordt als kindslaaf verkocht naar Rome. Daar komt hij bij de keizerlijke familie terecht, op de Palatijn. Hij wordt een vertrouweling en klimt na zijn vrijlating op tot gewiekst beheerder van alle financiën in het rijk van keizer Claudius. Daarmee is hij een van de machtigste mannen van het rijk. Maar zijn liefde voor de keizerin, Agrippina, en zijn eigen ambitie worden hem noodlottig. Eerder publiceerde Van Dijk een biografie van keizer Tiberius, getiteld De opvolger (2017), waarin voor Pallas al een rolletje was weggelegd. Dat boek werd geprezen om zijn literaire kwaliteiten: Van Dijk zou levendig schrijven, alsof ze er zelf bij was.

Houterig

Maar in de bekroonde roman vergaloppeert zij zich danig. De stijl blijft ver achter bij de inhoud. Van Dijk weet ontegenzeggelijk ontzettend veel van het beschreven tijdvak af, maar slaagt er niet in deze wereld overtuigend tot leven te brengen. Overvol is de roman, en helemaal verkeerd van tempo. Enerzijds zijn er onnodige uitweidingen; anderzijds gebeuren dingen zomaar, plompverloren. Vreemd genoeg doen de personages, en met name Pallas, daarbij ook nog voortdurend dingen bijna: ‘Hij kijkt op, hij wil de aandacht van zijn meesteres trekken, maar besluit dat het beter is om af te wachten’; ‘Hij maakt een kleine buiging en wil zich omdraaien en de ruimte verlaten, maar hij blijft toch staan’. Tja. Echt interessante zaken die wél gebeuren – Pallas laat bronzen munten zilver verven en verrijkt zichzelf aldus – blijven onderbelicht.

De dialogen zijn vaak houterig: ‘“Je denkt dat ik beledigd ben? Kom nou zeg!” Nu verheft Felix zijn stem. “Ik wil je verdomme alleen maar waarschuwen.” “Bedankt, ik red me prima.”’ Van Dijk laat te weinig te raden over. Ze voorziet elke handeling, gedachte, uitspraak en wending van een bijvoeglijk naamwoord.

Kitsch

Onmachtig, op het kitscherige af, zijn de beschrijvingen van emoties: ‘Alle aannames die hij destijds deed, wankelen nu als vlotjes op de golven van zijn eigen herinneringen.’ Elk gevoel wordt nodeloos uiteengetrokken: ‘Hij laat het even tot zich doordringen, voelt een stroom van opwinding door zijn lijf trekken en een brok in zijn keel schieten.’ Elders ‘stromen tranen eerst rustig, dan in golven haar karmozijnrode sluier in’. Sfeerverhogend bedoelde zinnen wekken nogal eens bevreemding en ook het vertelperspectief – we volgen Pallas – klopt hier en daar niet: ‘Als de keizer hem in zijn ooghoek opmerkt, roept hij: “Ah, Pallas, daar ben je eindelijk!”’

Het is jammer van alle kennis die Van Dijk in huis heeft. In de details, zoals dat men op de Palatijn speltbrood at bij een bruiloft, komt dit verhaal, en daarmee de geschiedenis, wél even tot leven.