Leila Slimani Foto Eric Fougere/Corbis-Getty Images

Interview

'Schaam je je niet? zei mijn vader. Nee, zei ik'

Leïla Slimani Het Frans is niet van de Fransen, vindt schrijfster Leïla Slimani. En: „Niet bang zijn is een vorm van politiek engagement.”

Ze heeft zojuist een exemplaar van de Arabische vertaling van haar bekroonde roman in de kast gezet van het ‘Huis van alle Talen’, een nieuw onderdeel van de openbare bibliotheek in Amsterdam. Dat deed ze onder het toeziend oog van ministers, ambassadeurs en een paar honderd genodigden. Chanson douce, de met de Prix Goncourt bekroonde roman van Leïla Slimani, staat nu tussen Dai Siji en John Steinbeck. De Frans-Marokkaanse Leïla Slimani is niet zomaar een schrijfster en journaliste, ze is een ster, een fenomeen, een symbool voor de vrije Franse vrouw van nu. In een groot portret karakteriseerde de Frans-Algerijnse auteur Kamel Daoud haar onlangs als ‘la Française du Futur’, de Française van de toekomst. Ze is persoonlijk vertegenwoordigster van president Macron voor de francofonie – waarover zometeen meer.

Ze is maar even in Amsterdam, ze gaat door naar Engeland, de VS, Zuid-Amerika. Dan volgt de première van de film die regisseuse Lucie Borleteau naar haar boek maakte, in maart verschijnt haar nieuwe roman. Leïla Slimani lijkt koel, bewaart afstand tot de mensen die haar vragen stellen, haar handtekening willen, of een selfie. Tussendoor kijkt ze op haar telefoon: haar kinderen sturen haar tekeningen uit Parijs.

U bent ambassadrice van de francofonie. Tegelijkertijd noemde u het verdedigen van de Franse taal en cultuur de arrogante kant van de Fransen.

„Frankrijk is niet langer het centrum van de francofonie. Frankrijk is een Franstalig land tussen andere. Het Frans is ook de taal van de Canadezen, de Senegalezen, de Tunesiërs, van al diegenen die Frans willen spreken. Er was dat beeld van een centrum en een periferie. In het centrum zaten de Franse schrijvers, de échte. Als je niet Frans was maar wel in het Frans schreef, werd je ‘francofoon’ genoemd. Dan raakte je verloren in een soort schemergebied.

Lees ook: ‘Kèsku sè?’ Zo gaat een nieuw soort Franse les eraan toe

Maar de literatuur is veranderd, net als de wereld. De literatuur in het Frans is, net als de Engelse postkoloniale literatuur, een ‘littérature monde’ geworden. Tegenwoordig zijn de grootste Franse schrijvers Libanees, Algerijns, Marokkaans, soms Russisch, Haïtiaans. Dat heeft niet alleen het beeld veranderd dat men heeft van de francofonie, maar ook van de taal zelf.”

U heeft zelfs gezegd dat het Frans een Afrikaanse taal zal worden?

„Absoluut. Over dertig jaar zullen de meeste mensen die Frans spreken Afrikaans zijn. Niet meer Europees. Tegenwoordig spreken een Togolees en een Senegalees vaak Frans met elkaar, geen Arabisch. Niemand spreekt tegen dat de komst van het Frans gepaard ging met geweld, met kolonisatie. Maar dat is de realiteit van alle talen. Daarom spreken de Argentijnen Spaans. Daarom spreek ik Arabisch. De realiteit van talen is er een van oorlog en geweld. Maar het gaat erom wat je ermee doet: dichten, vrienden maken, grappen vertellen. Je bent nooit slachtoffer van een taal, de taal is wat je ervan wilt maken.”

Ze vindt wel dat je nu eenmaal regels en normen nodig hebt. Tegen de strengheid van de Académie Française, die de woordenschat en de grammatica van het Frans bewaakt, heeft ze geen bezwaar. Bovendien, zegt ze, verdedigt de Académie helemaal niet de puurheid van het ‘traditionele’ Frans, en is zij helemaal niet tegen het Engels. Kijk maar wie erin zitten, zegt ze en noemt Dany Laferrière, een Haïtiaan, Amin Maalouf, een Libanees en André Makine, een Rus die in het Frans schrijft. Precies drie leden die buiten Frankrijk geboren zijn – een zeer kleine minderheid in de veertig leden tellende Académie. Maar het gaat om het principe, zegt Slimani kortaf.

U bent tussen veel vrouwen opgegroeid, heeft dat uw wil om schrijfster te worden beïnvloed?

„Dat wist ik op mijn vierde al. Ik vertelde toen al verhaaltjes, was een echte kletsmajoor. Ik was enorm aanwezig. Mijn moeder zei altijd: zit er niet een pauzeknop op dat meisje? Leren lezen en schrijven was voor mij een openbaring. Als meisje had ik nooit posters van popsterren op mijn kamer, maar foto’s van Tsjechov en Baudelaire, dat waren voor mij de meest coole mensen op de wereld. Ze gebruikten drugs, dronken alcohol, werden hartstochtelijk verliefd, reisden de wereld over, werden verafgood. Dat wilde ik ook. En ja, de vrouwen om mij heen, mijn grootmoeder, moeder en tantes, waren ambitieus en wilden onafhankelijk zijn. Daardoor voelde ik des te meer hoe onrechtvaardig het was dat ze ondergeschikt waren aan de mannen, dat ze als inferieur werden behandeld.”

In uw eerste roman, ‘In de tuin van het beest’, over een getrouwde vrouw, een nymfomane, vind je een echo van de debuutroman van Tahar Ben Jelloun, ‘Harrouda’. Hij zei daarover dat hij ‘zijn eigen fantasma’s tot het uiterste had gedreven’.

„Schrijven is inderdaad tot het uiterste gaan. Als je begint te schrijven, hou je je in, nuanceer je, ben je bang je moeder, je buren te choqueren. Pas als dat verdwijnt begin je echt te schrijven. Dat is de dag waarop je je vrijheid neemt, het merg uit het bot zuigt. Tot voor kort was het in het Westen – en nu nog in een groot deel van de wereld – onmogelijk schrijfster te zijn zonder rebels te zijn. In veel culturen blijft de vrouw binnen, ze zorgt voor het gezin. Zewordt geacht dat niet te ontregelen, ze is een ‘agent de l’ordre’. Ze mag zich niet uitspreken, niet choqueren, ze is gevoelig, niet in staat de grote geschiedenis te begrijpen, metafysische vragen te stellen. Vrouwen die ervoor kiezen te schrijven, weten dat ze zullen worden verafschuwd of zelfs verstoten. Als je schrijft doe je dat omdat je iets te zeggen hebt en dat is per definitie rebels. Je accepteert het idee dat je mishaagt. Voor een vrouw is niet in de smaak vallen veel ingewikkelder dan voor een man.”

In haar boek ‘Seks en leugens’ brengt ze in kaart hoe mensen in Marokko, en vooral vrouwen, lijden onder de frustratie en de waanzin die (seksuele) onvrijheid veroorzaakt. Vrouwen vertellen haar hun verhaal.

Tahar Ben Jelloun zei dat spreken voor de vrouw al een statement is in een maatschappij die de vrouw lang het woord heeft ontzegd.

„Precies daarom heb ik mijn boek geschreven. In de tuin van het beest is een cru boek, met veel seksscènes. Tijdens een lezing sprak ik daar heel vrij over. Mijn moeder zat in de zaal. Na de lezing vroeg een meisje haar of ze boos was dat haar dochter zo’n boek publiceerde. Mijn moeder antwoordde van niet, het enige wat ze belangrijk vond was dat het goede literatuur was. Het meisje bekende dat ze nooit zou durven schrijven uit angst voor wat de mensen zouden zeggen. Toen heb ik me gerealiseerd wat voor een immense emancipatie het is om de vrijheid die we hebben te gebruiken. Het is emancipatie, maar het betekent ook een grote eenzaamheid.”

Zoals voor de hoofdpersoon van ‘De perfecte oppas’ die nergens bij hoort, ook niet bij het gezin waar ze op de kinderen past?

„Zoals voor ons allemaal. Zelfs als kind al was ik me ervan bewust dat we samen eten, praten en leven. Maar je bent alleen op de afschuwelijkste momenten van het leven. In wezen is iedereen een eilandje van pijn. Soms bevinden we ons in dezelfde zee, worden we aangeraakt door dezelfde golven, maar de waarheid is dat je alleen leeft en alleen sterft. Het grootste deel van de tijd vergissen we ons in de ander. Daarom moet je boeken lezen. Literatuur is een van de weinige plekken waar je mensen met tederheid kunt bekijken. Je kijkt naar jezelf, naar het personage en je denkt, ja, ik voel zoals hij of zij.”

De perfecte oppas is een spannende roman met een gruwelijke plot, die doet denken aan thrillers met een feministische inslag, zoals sommige van Ruth Rendell.

„Ik houd van Patricia Highsmith. Mijn boek speelt zich af in een appartement, bij uitstek een plek voor vrouwen en kinderen. Een thuis wordt geacht een vredige plaats te zijn, rustig en zacht. Maar voor een vrouw is thuis zelden een toevluchtsoord. Het is altijd een politieke plek, een ruimte van conflict, van dominantie, van geweld, van verkrachting. Er is altijd een strijd om de macht gaande.”

In Seks en leugens laat Slimani een hele reeks vrouwen aan het woord. Ze laten ons zien hoe hypocriet de Marokkaanse maatschappij in elkaar zit, hoe onrechtvaardig sommige wetten zijn: seksuele relaties buiten het huwelijk zijn verboden, evenals abortus en homoseksualiteit. De vrouw moet maagd blijven, het gaat om de eer van de familie, nee van de natie. Prostitutie bestaat zogenaamd niet. Een van de vrouwen, opvallend genoeg Slimani’s eigen vroegere oppas, zegt ronduit dat dit soort wetten niet de zaak van de islam dient, maar alleen die van de man.

Slimani: „Wat mij steekt is dat de moderne Marokkaanse elite en petit comité altijd zegt dat ze niet homofoob is en vóór gelijkheid van man en vrouw. Maar ze leren hun kinderen dat ze dat vooral niet hardop moeten zeggen. Zo worden we opgevoed in een hypocriet dubbel discours. Die leugens vergiftigen de hele maatschappij. Als je een overtuiging hebt, moet je die verdedigen. Je moet kritisch durven zijn. Wij zijn opgevoed met het idee dat je geen kritiek mag hebben op dingen waar je van houdt. Als je van je land houdt moet je dus alles in dat zonnige koninkrijk mooi en geweldig vinden. Volgens mij moet je precies het tegenovergestelde doen. Ik houd van mijn geboorteland zoals je kunt houden van een man die je nooit zal beminnen.”

In hoeverre is er iets aan het veranderen?

„Jongeren in Egypte, Algerije, Tunesië, Libanon willen verandering. Een radicale. Maar het probleem is de vrijheid, mensen willen niet vrij zijn! Dat begreep ik pas toen ik de grote Russische schrijfster Svetlana Aleksijevitsj had gelezen.

Lees ook: ‘In de islam groeit een fascistische ideologie’

Vrijheid heeft een hoge prijs: je moet je veiligheid opgeven, je comfort, je economische zekerheid. Veel jonge vrouwen in die landen die besluiten een vrij leven te leiden en hun maagdelijkheid verliezen, krijgen rond hun 35ste spijt. Ze belanden in enorme eenzaamheid, worden gemeden als de pest. Dat is het probleem. Rond je 20ste is er dat moment van verontwaardiging, maar de maatschappij pakt je later terug.”

‘In een maatschappij als de onze’, zei de Libanese schrijver Amin Maalouf ooit, ‘is schaamte een instrument van tirannie. Schuld en schaamte zijn wat religies hebben bedacht om ons in bedwang te houden en ons te verhinderen te leven.’ Dat geldt voor vrouwen nog meer.

„Het patriarchaat wil dat wij, vrouwen, ons schamen. Voor onze verlangens, voor onze menstruatie, voor ons lichaam. Mijn vader zei altijd tegen mij: schaam je je niet! Nee, zei ik tegen hem, ik schaam me niet, nooit. Ik had altijd zin om mensen te choqueren, ik wilde dat ze zich ongemakkelijk zouden voelen, ze moesten zich zelf maar schamen.”

Die houding, uw boeken en artikelen hebben u de nodige bedreigingen opgeleverd. U voert een harde strijd!

„Ik voer helemaal geen strijd, dat doen zij. Mijn enige gevecht is iedere ochtend drieduizend tekens te schrijven. Ik ga zeker geen strijd aan met iemand die me in detail vertelt hoe hij me gaat verkrachten, iemand voor wie ik geen enkel intellectueel respect heb. Die man moet hulp zoeken. Ik wil wel de tijd nemen om met jonge mensen te spreken die willen schrijven, die de vrijheid willen veroveren. Dat is geen westerse waarde, maar een universele. Je moet niet bang zijn. Ik ontmoet veel mensen die bang zijn om te schrijven of te zeggen wat ze denken. Maar je moet echt niet bang zijn. Niet bang zijn is weigeren te buigen voor fundamentalisten, voor terroristen. Niet bang zijn is een vorm van politiek engagement.”