Opinie

Respectruimte

Column Beatrice de Graaf In Nederland is het 'jij-en' en 'jou-en' ingeburgerd, maar in tijden van vloeibare relaties is het belangrijk om je eigen positie te markeren.

Beatrice de Graaf

‘Ça va, Manu’, riep een Franse scholier naar de Franse president Emmanuel Macron, toen die met enkele Franse schoolklassen een oorlogsherdenking bijwoonde. Macron snauwde de beduusde jongeman meedogenloos af. „Zo gaat dat niet! Eerst haal je je diploma, zorg dat je wat voorstelt, en dan kun je ooit zelf de lakens uitdelen. Maar hier heb je respect voor de instituties voor onze staat, en voor ons volkslied!” Voor Macron verdienden de Franse instituties van staat respect, en de daarbij behorende formele aanspreekvorm. Wie beroepsmatig de grens over gaat richting het zuiden of oosten, merkt het onmiddellijk. De pronominale aanspraakvormen zijn een ramp voor Nederlanders die niet meer weten hoe je je in het maatschappelijk verkeer bij de teutonen en romanen enigszins gedraagt.

Waarom is het ‘jij-en’ en ‘jou-en’ hier zo ingeburgerd, en over de grens zo ingewikkeld? Ik was zelf weer even een paar dagen op conferentie in beide landen, op bijeenkomsten die niet in het internationale pidgin-Engels werden gehouden, maar trots in de landstalen, en kwam akelig ten val. In Duitsland houd ik me zo angstvallig aan het ‘Siezen’ vast, dat ik een paar collega’s per ongeluk op de verheven en afstandelijke u-vorm trakteerde, die mij al jaren geleden het ‘Du’ hadden aangeboden. En dat is niet zomaar iets. Bij jongeren onderling en leeftijdgenoten is het ‘Du’ uiteraard geen probleem, maar in andere situaties kan het een echte rite-de-passage zijn. Degene met status, leeftijd en aanzien biedt zijn jongere, of lager geplaatste collega’s ceremonieel het ‘Du’ aan, wat vaak met veel wijn, bier, en diepe blikken gepaard gaat. ‘Und übrigens, Frau Professorin de Graaf, ich heisse Uwe. Darf ich Sie Beatrice nennen?’ Als je dan de volgende keer Professor Uwe weer ‘siezt’, bega je een doodzonde. Waarvan akte.

Sneakers

In Frankrijk is het subtieler, daar wordt meer getutoyeerd, ook in hiërarchische ambtelijke, of universitaire settings, maar alleen als je ongeveer dezelfde positie hebt. Daarboven biedt opnieuw de persoon met macht je het ‘tu’ aan. Of niet. Als je die vlotte kerel met sneakers tutoyeert en hij blijkt directeur-generaal van Defensie of prof van de Sorbonne te zijn, is het verder au revoir.

Wat het nog ingewikkelder maakt, is dat in Duitsland, en in mindere mate Frankrijk, burgerlijke aanspreekvormen sinds de jaren zestig gepolitiseerd zijn geraakt. Even heel kort de geschiedenis in. In Europa was lange tijd onder de Germaanse en Romaanse talen het ‘jij’ gebruikelijk, in alle oude vormen. Vanaf de hoofse tijd, kwam daar de ridderlijke aanspreekvorm bij, het ‘u’, of het meervoud, Ihr, Euer. Daarmee werd de feodale afstand tot de heren en dames gemarkeerd.

Aanspreekvormen zijn nooit grammatica, maar immers ook altijd sociale psychologie en culturele communicatie. De grote literatoren legden de vormen vast (Goethe en Poesjkin maakten er zelfs gedichten over), en in de negentiende eeuw nam de gegoede en ‘gebildete’ burgerij die omgangsvormen van adel en hofhouding maar al te graag over om zich boven het plebs te verheffen. Het waren de socialistische en communistische partijen die het ‘Du’ in de twintigste weer teruggrepen, niet alleen als uitdrukking van revolutionaire gezindheid en gelijkheid, maar ook als expressie van solidariteit. Kameraden onderling ‘duzen’ zich. Na de oorlog vonden de 68’ers in Duitsland en elders dat het ‘u’ een overblijfsel van de autoritaire mindset was en drongen elkaar het ‘Du’ op. Dat betekent dat je vandaag de dag nog altijd oudere collega’s tegenkomt die schijnbaar informeel hun studenten en jongere medewerkers tutoyeren, waarbij ze een moreel bondgenootschap van solidariteit suggereren.

Machtsrelaties

Tegenwoordig bevinden we ons in een zo mogelijk nog complexere situatie. Ceo’s van grote concerns, in een poging de flitsende uitstraling van Amazon of Google te evenaren, verplichten hun medewerkers hen en elkaar te tutoyeren (zoals ceo’s van Otto en Lidl deden). Maar wanneer de feitelijke machtsrelaties niet veranderen, kan dat juist meer stress veroorzaken. Het wordt de medewerkers zo immers juist moeilijker gemaakt zélf afstand en professionele waardigheid te bewaren. In Nederland merk ik ook dat het voor buitenlandse collega’s soms te moeilijk is om achter dat informele gedrag van een ‘Petra’ degene te herkennen die hun functioneren snoeihard gaat beoordelen.

Interessant genoeg lijkt de huidige generatie in ieder geval aan de universiteiten in Duitsland, Nederland en ook Frankrijk, weer meer waarde aan het ‘u’ te hechten. (Hoewel ik laatst de onnavolgbaar complexe mail ontving ‘Ha prof, je college was vet ziek vandaag’). In tijden van toenemende globalisering en gehaastheid is het niet zo gek nog eens over die aanspreekvormen na te denken. Het is immers van belang in tijden van vloeibare relaties je eigen positie te markeren en ruimte voor waardig gedrag en legitiem gezag op de werkvloer en in het openbare verkeer te creëren. Dat verschil tussen Sie en du is zo gek nog niet. Je mag afstand houden, en voor de ander en je zelf een respectruimte scheppen. Hoe mooi is het om dan te weten dat je altijd nog een stap verder kunt gaan in de omgang. Gelaagdheid en vormelijkheid geeft soms ook meer diepgang. Het ‘Hamburger Sie’ is misschien nog wel het aardigste voorbeeld daarvan. Je noemt elkaar bij de voornaam, maar blijft verder in de pronominale aanspreekvorm en werkwoordsvorm vousvoyeren. En overigens, in de Duitstalige landen geldt: boven de duizend meter is men sowieso ‘per Du’. In de bergen heb je elkaar nodig, in het dal heb je weer recht op enige afstand. Wanneer gebruikt u liever het ‘u’?

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.