Recensie

Nachtvlinder fladdert kort

Recensie

Het zojuist verschenen Nachtvlinderboek is van een monumentale allure: royaal formaat, 670 pagina's. Voor het eerst zijn álle ‘macronachtvlinders’ van Nederland en België (905 stuks) in één uitgave te bewonderen, op 3.500 schitterende foto’s, waarvoor de rupsen en motten levend gefotografeerd zijn, in hun natuurlijke omgeving. Zo mooi en dichtbij zie je ze in werkelijkheid zelden. Want als rups leiden ze een verborgen bestaan, en als mot leven ze meestal maar een paar nachten. Terwijl de rups kruipt, eet en groeit, eet de mot nauwelijks of niet. Hij of zij hoeft alleen maar te vliegen, een partner te zoeken en te paren. Waarna het vrouwtje naar een geschikte plant vliegt, de eitjes deponeert en sterft.

Bij iedere nachtvlinder – zo genoemd omdat ze voornamelijk ’s nachts vliegen – horen bepaalde planten. Dat komt heel nauw. Verdwijnen die planten (bijvoorbeeld door onze stikstofuitstoot) dan verdwijnen ook de bijbehorende nachtvlinders. Ondertussen doen de planten er alles aan om zo min mogelijk opgegeten te worden: ze zijn giftig, behaard, smaken vies, verliezen zo snel mogelijk hun malsheid. Zelf doen de rupsen en motten er ook alles aan om niet opgepeuzeld te worden. Rupsen lijken nogal eens op takjes. Motten zien er, zodra ze zijn neergestreken, uit als stukjes hout, herfstbladeren of boomschors.

De vormenrijkdom is duizelingwekkend. Bladeren door dit Nachtvlinderboek wordt daardoor een esthetisch genoegen. De rups van de lichtgrijze uil is prachtig blauw. De geelpurperen spanner heeft de kleuren van een heerlijk toetje: paarsroze en geel. Van sommige soorten hebben de vrouwtjes geen vleugels, of alleen maar zielige vleugelstompjes. Er zijn motten die heel erg lijken op wespen of hoornaars. En de rupsen, die hebben soms geen poten en eten soms geen planten maar andere rupsen. De rupsen lijken ook helemaal niet op de motten waarin ze transformeren, ze hebben een totaal andere tekening, totaal andere kleuren. Om erachter te komen welke mot bij welke rups hoort, moet je rupsen vangen en opkweken. De Nederlander Johannes Goedaert was de eerste die dat deed, in 1635, en sindsdien zijn ze daar in Nederland en België nooit meer mee opgehouden.