Opinie

Paul Scheffer, 20 jaar na zijn essay: Migratie is maakbaar

Essay Ik heb het aantal vluchtelingen overschat en het aantal immigranten onderschat, schrijft twintig jaar na zijn geruchtmakende essay ‘Het multiculturele drama’. „De buitenstaanders van gisteren zijn de gevestigden van morgen.”
Voetbalclub DVSU in Utrecht
Voetbalclub DVSU in Utrecht Foto Dieuwertje Bravenboer

Vorige maand zat ik in een forum bij de presentatie van de biografie van Ahmed Aboutaleb. Naast me zat een Amsterdams raadslid, kind van Marokkaanse migranten. „Ik heb geen verhaal over een ezel en een waterput”, begon hij zijn bijdrage. „Ik ben hier geboren en vertegenwoordig een andere generatie: hoezo moet ik integreren?”

Uit Soufyan Mbarki’s woorden sprak waardering voor de rol van de burgemeester van Rotterdam, maar tegelijk was duidelijk dat hij diens manier van spreken over integratie achterhaald vond. „We zijn inmiddels verder.” Dat zelfbewustzijn, waarin ook ongeduld doorklonk, sprak me aan.

In de biografie komt ook Aboutalebs reactie op Het multiculturele drama ter sprake, een beschouwing die ik twintig jaar geleden schreef. Hij zei daarover: „Ik heb het één keer gelezen, twee keer gelezen, drie keer gelezen. Ik vond het een integer werkstuk.” Dat was een belangrijke stem, want er waren nogal wat critici die mijn beschouwing in een extreme hoek plaatsten.

Na het gesprek over de biografie vroeg ik me af of mijn ‘multiculturele drama’ niet te veel over de eerste generatie gaat. Heeft het wel iets te zeggen dat de kinderen van migranten zou kunnen aanspreken? Misschien zijn de vragen die ik oprakelde ook wel achterhaald. Inderdaad: hoezo integratie? We zijn toch veel verder?

Mijn conclusie was destijds: „Het huidige beleid van ruime toelating en beperkte integratie vergroot de ongelijkheid en draagt bij tot een gevoel van vervreemding in de samenleving. De tolerantie kreunt onder de last van achterstallig onderhoud.” En ik voegde een zin toe: „Het multiculturele drama dat zich voltrekt is dan ook de grootste bedreiging voor de maatschappelijke vrede.”

Nu zou ik zo’n essay niet meer schrijven. Te midden van alle tegenstellingen ben ik op zoek gegaan naar wat mensen bijeen kan brengen: een gedeelde toekomst weegt zwaarder dan een verdeelde herkomst. Maar als ik de omstandigheden van twintig jaar geleden voor ogen haal, zou ik met dezelfde onrust schrijven.

Wat ik heb geleerd is dat het verhaal van de migratie begint met het verlies van een vertrouwde wereld. De moeder uit de Marokkaanse gemeenschap die tegen me zei: „Ik heb het gevoel dat ik mijn kinderen aan jullie land kwijtraak.” Of een autochtone buurtbewoner die in een gesprek opmerkte: „De Nederlandse jongens hebben het op straat verloren van de Marokkanen.”

Zowel nieuwkomers als gevestigden ervaren dat verlies. Veel autochtonen vinden dat migranten zich meer moeten aanpassen, terwijl veel migranten juist vinden dat deze samenleving meer open moet staan voor hun tradities. Dat vraagt aan alle kanten om inlevingsvermogen.

In honderden ontmoetingen heb ik veel geleerd van de mensen achter de getallen – en toch ontkomen we er niet aan om ook te spreken over de getallen achter de mensen.

We zijn nu twintig jaar verder, hoe staan we er voor? Terugkijkend heb ik de groei van de immigratie onderschat. Destijds was integratie de blinde vlek, nu is immigratie de blinde vlek. De samenhang tussen beide wordt nog steeds niet echt overdacht. Toen was mijn conclusie dat een land waar de integratie haperde, niet voorop zou moeten lopen in het aantrekken van arbeidsmigranten of het opnemen van vluchtelingen.

Hoe staat het er twintig jaar later voor? Om te beginnen heb ik het aantal vluchtelingen overschat. Ik dacht destijds – met de vluchtelingen uit Joegoslavië in het achterhoofd – dat we misschien wel op een miljoen mensen zouden uitkomen. Sinds 1980 zijn ongeveer 750.000 asielverzoeken in ons land ingediend. Er zijn nogal wat mensen weggetrokken – denk aan de Somaliërs naar Engeland. Alles bijeen worden de vluchtelingengemeenschappen door het CBS twee jaar geleden op een half miljoen mensen geschat.

De totale immigratie, die ook bijvoorbeeld arbeidsmigratie omvat, heb ik echter onderschat. Kort gezegd: de omvang van de immigratie was nooit groter dan in de afgelopen tien jaar. Ik zet even het migratiesaldo (het verschil tussen immigratie en emigratie) sinds de jaren zestig op een rij. Per decennium was het jaarlijks gemiddeld: 8.603, 32.326, 20.695, 34.767, 10.822, en ten slotte voor de periode 2010-2019: 54.626.

Voor het goede begrip: in de jaren van de kabinetten-Rutte is het migratiesaldo ruim vijf keer hoger dan onder de kabinetten-Balkenende en ruim anderhalf keer zo hoog als onder de kabinetten-Kok. Dat is goed om bij stil te staan, want de bezweringen over restrictief beleid waren de afgelopen tien jaar niet van de lucht.

Het CBS heeft recent zijn prognoses aangepast. Van de 18,4 miljoen mensen die voor 2060 werd voorspeld, zitten we nu op 19,6 miljoen. In 2017 werd de immigratieprognose, die lang stabiel op 125.000 jaarlijks stond, verhoogd naar 225.000. En twee jaar later is deze alweer verhoogd naar 300.000. Dat komt in de buurt van het aantal migranten dat een groot land als Canada jaarlijks aantrekt. Ook de schatting van de emigratie is naar boven bijgesteld.

Deze prognoses reiken tot 2060, dus de optelsom van zulke aanpassingen gaat uiteindelijk over heel veel mensen. Een verschuiving van het jaarlijkse migratiesaldo met 20.000 resulteert veertig jaar later in 1,2 miljoen mensen meer of minder. De onzekerheidsmarge is fors toegenomen: de bevolking zal uitkomen tussen de 18,1 en 21,2 miljoen.

Bestuurders baseren hun planning voor woningbouw, gezondheidszorg, energieverbruik en onderwijs op zulke schattingen. De afgelopen decennia hebben de prognoses vaak achtergelopen bij de dynamiek van de immigratie, die voor bijna negentig procent de bevolkingsgroei bepaalt. Het verbaast mij niet dat we mede door deze groei tekorten zien op de woningmarkt.

Lees hier Paul Scheffers essay uit 2000: Het multiculturele drama

Bouwen op drijfzand

De voorspellingen zijn steeds meer drijfzand geworden. En op drijfzand kun je beter niet bouwen. Daarom moeten we een omslag maken. Niet schattingen maar wenselijkheden moeten leidend zijn. Dat noemden we vroeger democratie: een geïnformeerd debat over de richting van het land. Vervolgens denken we na hoe de afstand kleiner kan worden tussen wat we willen en wat we kunnen.

In de politiek heerst rond dit vraagstuk een gevoel van onmacht: we denken dat migratie niet maakbaar is. In de praktijk bepalen markt en moraal het beleid. Natuurlijk horen belangen van het bedrijfsleven wat betreft arbeidsmigratie mee te wegen, en humanitaire beginselen als het gaat om vluchtelingen. Maar ook het sociaal contract in de samenleving hoort een belangrijke toetssteen te zijn.

Immigratie en integratie zijn van elkaar los gezongen. Dat is onterecht, want wie precies kijkt naar de integratieopdracht in deze samenleving, gaat zich vragen stellen bij het ontbreken van een immigratiebeleid. Op beide terreinen hebben we geen volwaardige bewindspersoon: een minister doet integratie erbij en we hebben een staatssecretaris die asiel doet, maar geen arbeidsmigratie.

De toegang tot staatsburgerschap raakt de grondslag van een samenleving: het lijkt op een constitutionele kwestie. Een regering zou daarom op terreinen van immigratie en inburgering altijd moeten streven naar meerderheden van tenminste tweederde. Nu blijven we na elke verkiezing met net weer andere meerderheden beleidswijzigingen op elkaar stapelen.

Het is tijd voor migratietafels: een breed opgezet gesprek over de toekomst. Het onderzoek dat dit voorjaar is afgerond naar de scenario’s van bevolkingsgroei moet tot keuzes leiden. De mensen die zeggen dat migratie niet te beïnvloeden is, omschrijven de huidige migratie graag als een ‘feit’. Maar die feiten zijn het uitvloeisel van eerdere keuzes, die vatbaar zijn voor heroverweging.

Twintig jaar geleden heb ik ook de sociale mobiliteit tussen de generaties onderschat toen ik schreef dat „hele generaties” dreigden te mislukken. Het ging me om een nieuwe „sociale kwestie”, waarvan de scherpte onvoldoende werd gezien. Ik voel nog steeds de aandrang om over achterstanden te spreken, maar de omstandigheden zijn sindsdien wel veranderd.

Destijds schreef ik in een reactie op alle kritiek: „Een samenleving die talentvolle migranten te weinig ruimte biedt, zal een prijs betalen. Hier moet nog veel gebeuren: het betekent een verandering in de samenstelling van krantenredacties, van het politiekorps, van de besturen van culturele instellingen, van het bedrijfsleven.” (NRC, 25/3/2000).

Hoe staat het nu met de sociale mobiliteit? Dat laat zich niet in één beeld vangen. De een zal zeggen: het is fantastisch dat zoveel kinderen uit Marokkaanse of Turkse gezinnen het aanmerkelijk beter doen dan twintig jaar geleden. En wie zal dat willen ontkennen? De ander zal, met een beroep op dezelfde cijfers, zeggen dat die kinderen nog steeds achterlopen bij autochtone leerlingen. En ook dat is waar. Daarom kan er zoveel politiek worden bedreven met de cijfers.

We zien achterstanden die door discriminatie worden versterkt. Daarvoor zijn geen excuses

Kijken we bijvoorbeeld naar de kinderen die havo of vwo doen. Van de kinderen met een Nederlandse achtergrond gaan 49 procent dit schooltype, van de kinderen met een Turkse en Marokkaanse achtergrond respectievelijk 27 procent en 32 procent. In dat beeld zien we reële vooruitgang: de deelname was beduidend lager. En tegelijk is de achterstand nog steeds zichtbaar.

De verschillen zijn groot tussen nieuwe migranten: kinderen uit Iraanse gezinnen komen zelfs meer in het hoger onderwijs terecht dan kinderen met een Nederlandse achtergrond. Met kinderen uit Somalische gezinnen gaat het juist minder goed. De diversiteit van de diversiteit laat zich steeds minder vangen in algemeenheden over geslaagde of mislukte integratie. Gemiddelden vertellen altijd het halve verhaal.

Denk nog even terug aan de Cito-scores. Toen ik me daar jaren geleden in verdiepte, bleek dat in een stad als Amsterdam bijna een kwart van de leerlingen niet aan de toets deelnam omdat hun niveau onvoldoende werd geacht. Dat betrof vooral kinderen uit migrantengezinnen. Het risico was dat ze niet onderaan, maar naast de maatschappelijke ladder terechtkwamen. Ik dacht: daar moeten we het over hebben.

Lees ook deze toespraak van minister Sigrid Kaag: ‘In het onderwijs gaat het met de grootste migrantengroepen de goede kant op’

Arbeidsparticipatie van migranten

We zien duidelijke verschillen in arbeidsparticipatie van migranten. Ook daar werkt de geschiedenis van de gastarbeid lang door. Er is zeker vooruitgang tussen de generaties in Marokkaanse of Turkse kring, maar het Jaarrapport Integratie 2018 geeft een genuanceerd beeld van de tweede generatie: „Het aandeel dat afhankelijk is van een uitkering is niet of maar weinig lager dan leeftijdsgenoten uit de eerste generatie. Onder hen is het aandeel werkenden op middelbare leeftijd (35 tot 50 jaar) wel flink hoger.”

Poolse migranten doen het momenteel in alle opzichten een stuk beter dan de tweede generatie van de klassieke migrantengroepen. Hun arbeidsparticipatie ligt op het niveau van mensen met een Nederlandse achtergrond. Het aantal mensen uit Irakese en Syrische vluchtelingengemeenschappen dat werkt, is daarentegen erg laag. Ook hier geldt dat de diversiteit van de diversiteit te groot is om nog onder één noemer te kunnen brengen.

Door nadruk te leggen op de tweede generatie onderschatten we wel dat door de migratie het aantal nieuwkomers groot blijft. Bij een migratiesaldo van 50.000 zal in 2060 de eerste generatie zo’n 3,9 miljoen mensen omvatten (nu is dat 2,2 miljoen), de tweede generatie omvat dan iets meer dan 3,4 miljoen mensen. De integratieopdracht die samenhangt met een eerste generatie zal bij ons blijven.

Dus ja, we moeten het hebben over de onmiskenbare vooruitgang, over al die migranten en hun kinderen die hier hun plek hebben gevonden en veel bijdragen. De economische balans van de naoorlogse migratie is niet eenduidig positief, maar achter die balans gaan de levens schuil van vele nieuwkomers die dit land hebben verbeterd. Daarover moeten we blijven spreken.

Migratie is nooit gemakkelijk – ook het verhaal van de kinderen is vaak een verhaal van het overwinnen van obstakels. Zo vertelt traumachirurg Abdelali Bentohami: „In de tweede generatie waren we pioniers, we moesten het zelf uitvinden. Ik vergelijk het met zeeschildpadden: de moeders leggen eitjes op het strand en gaan dan weg. Ze worden geboren en moeten zichzelf voeden, daarom is de sterfte zo hoog bij die dieren.” (de Volkskrant, 12 maart 2019).

Lees ook deze column: Wil Nederland meer arbeidsmigratie?

Niet wegkijken

Te midden van de vooruitgang zien we achterstanden die door discriminatie worden versterkt. Het blijkt telkens opnieuw uit onderzoek dat de achternaam van sollicitanten, helemaal los van kwalificaties, tot ongelijke kansen op een baan leidt. Daarvoor zijn geen excuses: een land dat gelijke behandeling vooropstelt, mag niet wegkijken.

Maar deze discriminatie verklaart zeker niet alle achterstanden: niemand kan namelijk verwachten dat de kinderen van laagopgeleide migranten in één generatie alles inhalen. Dat kost meer tijd. Die langetermijngevolgen moeten meewegen in de keuzes wat betreft toekomstige migratie, maar we leren weinig van de geschiedenis van de gastarbeid.

Opnieuw is het verdienmodel van ondernemers de enige maatstaf van arbeidsmigratie

Opnieuw is het verdienmodel van ondernemers de enige maatstaf van arbeidsmigratie. Nu komt die uit Oost-Europa. Ik heb nooit begrepen waarom een deel van de progressieve goegemeente dat verdedigt. Wanneer mensen straks niet meer nodig zijn, worden de problemen weer afgewenteld op de samenleving. Zo worden private winsten tot publieke zorgen. Wie voelt zich straks verantwoordelijk voor hun kinderen die met een taalachterstand op school beginnen?

Wat ik twintig jaar geleden heb onderschat, is de problematiek rond de islam. Het was nog voor 11 september, voor de moord op Theo van Gogh, voor de reeks aanslagen en voor de terugkerende Syriëgangers. Waar ik me toen over verwonderde, waren zaken als de poging van hoofdcommissarissen om een hoofddoek aan het politie-uniform toe te voegen. Iets waar ik nog steeds geen voorstander van ben.

Voor mij was het eenvoudig: aan politieagenten, die het recht hebben anderen hun vrijheid te ontnemen, moeten we hogere eisen van neutraliteit stellen. Het uniform suggereert niet voor niets de behoefte aan uniformiteit. Door meer zekerheid te bieden kan rust gebracht worden. Dat we het zoveel jaar later nog steeds hebben over de hoofddoek bij de politie is verwijtbaar.

Maar dat het geweld zo’n schaduw zou werpen over de moslimgemeenschappen, dat viel buiten mijn voorstellingsvermogen. We hebben inmiddels jaren van radicalisering achter de rug, al worden aanslagen graag gezien als het werk van verwarde geesten. Ik zou naast aandacht voor psychologie, meer aandacht willen voor ideologie. Waarom maken de loszittende draadjes in het hoofd van een terrorist precies op dat punt kortsluiting?

Lees ook deze column van Paul Scheffer: Afscheid van de verwarde terrorist

Zuivere leer

Ideeën doen ertoe, zoals de burgemeester van Amsterdam, Femke Halsema, vorig jaar aan de gemeenteraad schreef. De manier waarop „een zogenaamd zuivere leer met dwang en intimidatie” wordt opgelegd aan anderen baart haar zorgen. Ze ziet hoe het salafisme overhelt naar „een fundamentalistische, agressieve afkeer van de democratische rechtsstaat”.

We zijn in Nederland onlangs getuige geweest van drie aanslagen in een jaar tijd: Malek F. in Den Haag, Jawed S. in Amsterdam en Gökmen T. in Utrecht. Voor het eerst waren er bij die laatste aanslag doden te betreuren, nadat bij de eerdere aanslagen mensen zwaargewond raakten. Zeker, in Frankrijk en Groot-Brittannië is de situatie ernstiger, maar er is genoeg reden om ons oprecht zorgen te maken.

Die zorgen lopen gemakkelijk over in een algehele afwijzing. Wanneer 55 procent van de Europeanen, zo blijkt uit een onderzoek van Chatham House, het eens is met een algehele stop op immigratie uit moslimlanden, dan is er iets erg misgegaan. Want een migratiebeleid op basis van geloof ontwricht een open samenleving. De slotsom is dat de vervreemding over en weer vooralsnog is gegroeid.

Helemaal los van radicalisering zijn er culturele verschillen die bijdragen aan deze vervreemding. Een voorbeeld: uit een vergelijking van Rotterdam en Amsterdam blijkt dat in deze steden meer dan tachtig procent van de autochtonen, maar ook van de Surinaamse of Antilliaanse migranten een homoseksuele leerkracht voor de klas geen probleem vindt. Meer dan de helft van de Marokkaanse en Turkse respondenten zegt dat wel een probleem te vinden.

De andere helft dus niet – die verschillen moeten we blijven zien. Er zijn genoeg moslims die hun geloof verzoenen met een open samenleving. De socioloog Ruud Koopmans ziet hoezeer het fundamentalisme de islamitische wereld beïnvloedt, maar waarschuwt ervoor islam en fundamentalisme te vereenzelvigen: „Het is zeker geen universeel en onontkoombaar onderdeel van de geloofsbeleving van moslims”. Er staat veel op het spel. De leerstellige moskeeën worden al te vaak gefinancierd door landen als Saoedi-Arabië, ze zijn beter georganiseerd en worden daarom door veel overheden als gesprekpartner gezien. De vrijzinnige en seculiere stemmen zijn kwetsbaar en minder zichtbaar. Maar ze zijn er wel – we moeten beter leren kijken en luisteren.

Mijn verwachting dat de secularisering ook deze geloofsgemeenschappen zou raken, is voorlopig niet uitgekomen. Integendeel, onderzoek laat zien dat mensen met een Marokkaanse of Turkse achtergrond zich nog steeds in overgrote mate, namelijk rond de negentig procent, zien als gelovig. Dat is een verrassende ontwikkeling, die gevolgen heeft.

Lees ook: Dit is waar gemengde stellen mee kampen

Discriminatie op de huwelijksmarkt

Tot nog toe trouwen bijvoorbeeld maar weinig moslims buiten de eigen gemeenschap. Ruim zestig procent van de Marokkaanse en Turkse Nederlanders zeggen het „vervelend” te vinden als hun dochter met een niet-moslim zou trouwen. De omgekeerde vraag mogen we ook stellen. Discriminatie op de huwelijksmarkt kan even venijnig zijn als discriminatie op de arbeidsmarkt.

Het gaat niet om een schuldvraag: dat mensen die in illiberale samenlevingen zijn opgegroeid vaak traditionele opvattingen over zulke kwesties huldigen, kan niemand verbazen. Maar het mag ook niemand verbazen wanneer een meer liberale samenleving er veel moeite mee heeft om met zulke ideeën in aanraking te komen.

De grondslag van alle integratie is wederkerigheid: de vrijheid van de een is een verantwoordelijkheid van de ander. Concreet betekent dat: wie het recht van godsdienstvrijheid voor zichzelf opeist, moet ook bereid zijn om die vrijheid te waarborgen voor mensen met een andere godsdienst of zonder godsdienst. Het onderwijs in burgerschap moet beter in de wet worden verankerd, zoals de regering wil.

Het is wel duidelijk dat nogal wat mensen – binnen én buiten de moslimgemeenschappen – deze wederkerigheid niet omarmen. Ze eisen een monopolie voor hun eigen overtuigingen. Dat mag in een liberale democratie – ook in een open samenleving kun je een gesloten wereldbeeld aanhangen –, maar als het grotere groepen worden komt de democratie onder druk te staan.

Mijn conclusie is dat we nu beter de risico’s van radicalisering onderkennen – ook aan de extreem-rechtse kant – maar er nog onvoldoende in slagen om de tolerantie te bewaken. De godsdienstvrijheid staat onder druk: te veel mensen vinden dat de islam niet in de democratie past en te veel mensen vinden dat de democratie niet in de islam past. De buitenstaanders van gisteren zijn de gevestigden van morgen.

Aandacht voor het koloniale verleden hoeft niet te ontaarden in een nieuwe beeldenstorm

Ten slotte heb ik onderschat hoe gevoelig het pleidooi voor taal- en cultuuroverdracht ligt. We zitten midden in een verandering van de verbeelde gemeenschap die Nederland is. Migratie verandert niet alleen de materiële orde van een samenleving, maar meer nog de symbolische orde. Daar ontvlammen de gevoelens: Gouden Eeuw, roetveegpiet, boerka, slavernij.

Wie verandering door immigratie ziet als een opeenvolging van vermijding, conflict en aanvaarding, schrikt iets minder van de botsingen over bijvoorbeeld het sinterklaasfeest. Wanneer mensen uit bijvoorbeeld de Surinaamse gemeenschap zich ongemakkelijk voelen bij Zwarte Piet, dan maken ze toch vooral duidelijk: ook wij willen ons thuis voelen bij dit feest. Die toe-eigening is een vorm van burgerschap.

De verandering kan niemand ontgaan. Kijk maar naar de canon van de Nederlandse geschiedenis. Het zou ondenkbaar geweest zijn als die niet ook het koloniale verleden zou hebben omvat. Er is een nationaal monument slavernijverleden gekomen. In het adjectief ‘nationaal’ wordt een gemeenschap aangesproken op zijn verantwoordelijkheid. Dat is vooruitgang.

In mijn essay vroeg ik om meer aandacht voor de overdracht van de geschiedenis: „Wie nadruk legt op collectieve herinnering zal ook beseffen dat een discussie over het Nederlandse aandeel in de slavernij geen onzin is. Ook de ‘zwarte’ bladzijden in ons verleden moeten worden besproken. Een dwingender zelfonderzoek naar zulke episoden is één van vele vragen die de komst van velen uit vroegere koloniën met zich meebrengt.”

Ik pleitte voor een museum voor de Nederlandse geschiedenis. Voorbeelden van zulke musea in Australië en Duitsland laten zien dat zo’n verbeelding van het verleden tot zelfonderzoek kan aanzetten. Daarom is het zo teleurstellend dat het museum er niet is gekomen. Ondanks een ruime Kamermeerderheid is dat plan gesmoord in politieke onwil en postmoderne verwarring.

Zo worden telkens kansen gemist. Ik vind dat we op het idee terug moeten komen: een nationaal museum voor de geschiedenis zou een plek kunnen zijn waarin een nieuw beeld van Nederland vorm krijgt – inclusief zijn lange migratiegeschiedenis. Het gaat om het besef dat er iets aan ons vooraf is gegaan en iets na ons komt, dat we een onderdeel zijn van een verhaal van verandering, een verhaal zonder einde.

De woorden van de Amerikaanse schrijver James Baldwin blijven een bron van inspiratie. In The Fire Next Time (1963) probeerde hij een brug te slaan: „Wanneer we blijven volharden in het zelfbeeld van een blanke natie, hoewel we dat nauwelijks zijn, veroordelen we onszelf tot steriliteit en verval. Wanneer we onszelf zouden zien zoals we werkelijk zijn, dan zouden we de westerse verworvenheden nieuw leven kunnen inblazen.”

Aandacht voor het koloniale verleden hoeft niet te ontaarden in een nieuwe beeldenstorm – al is dat een erg vaderlandse traditie. Er hoeven geen koloniale standbeelden omver te worden getrokken om een standbeeld van de Surinaamse schrijver Anton de Kom op te richten. De kring van het samenleven kan worden verruimd door alle lagen in onze geschiedenis te laten zien.

Ook pleitte ik voor meer aandacht voor taal. Dat we in een situatie verzeild zouden raken waarin een universiteit helemaal op Engels overschakelt, had ik nooit kunnen bevroeden. Zulke keuzes mogen we niet aan individuele instellingen overlaten: die geven kortetermijnbelangen voorrang boven maatschappelijke afwegingen.

En, hoe kan een land zijn nieuwkomers overtuigen dat het leren van de taal wezenlijk is wanneer de elites er zo achteloos mee omspringen? Wie studenten geen academische vorming geeft in de eigen taal, vervreemdt de toekomstige bovenlaag van de samenleving. We zien nu al de dat de kloof tussen laag opgeleid en hoogopgeleid steeds dieper wordt gegraven.

Weinig heeft me zo in mijn leven geraakt als de ontmoetingen die volgden op de publicatie van ‘Het multiculturele drama’.

Vooral met de taalvaardigheid is het treurig gesteld. Daar zien we een daling tot onder het gemiddelde van de rijkere landen, en dat treft kinderen uit migrantengezinnen in het bijzonder. Dit soort ongeletterdheid doet afbreuk aan burgerschap. Wie de taal niet beheerst, kan onvoldoende invloed uitoefenen op de eigen omgeving, laat staan de richting van het geheel mee bepalen.

Schrijver Kader Abdolah reageerde zo op het multiculturele drama: „Paul Scheffer, ga aan de kant. Dit land is nu ook van ons.” Ik dacht: dat is nu precies waarop ik hoop. Want daarmee is ook gezegd: wij zijn van dit land. Je kunt namelijk geen invloed uitoefenen op het geheel zonder de wil om deel uit te maken van het geheel. Niet dat ik aan de kant hoef te gaan, het land is ruim genoeg.

Ik ben twintig jaar geleden gaan schrijven over deze kwesties met als uitgangspunt dat ik onderdeel van het probleem ben. Ik wilde niet spreken over anderen die minder verdraagzaam werden, ik stelde vast dat mijn eigen tolerantie afbrokkelde. Het ging me niet om anderen die worstelen met het gevoel dat we iets kwijtraken, ik wilde mijn eigen ervaring van verlies onder woorden brengen. Toen was ik niet bezig met de schuldvraag, nu al helemaal niet meer.

Dat is het voordeel als je met een pen in de hand zonder last of ruggenspraak de wereld tegemoet kan treden. Weinig heeft me zo in mijn leven geraakt als de ontmoetingen die volgden op de publicatie van Het multiculturele drama. Het gaat niet zozeer om pessimisme of optimisme, het gaat om betrokkenheid of gelatenheid. Juist door iets terug te zeggen had ik het gevoel een verandering mee vorm te geven.

Ik heb me willen openstellen voor het verwijt dat ik met mijn ‘multiculturele drama’ onbedoeld heb bijgedragen aan een verruwing die het inlevingsvermogen geen goed heeft gedaan. Met boeken als Het land van aankomst en de documentaire Land of Promise, die ik met René Roelofs heb gemaakt, heb ik geprobeerd om de verhalen van nieuwkomers en van de mensen die er al waren zichtbaar te maken.

Niemand kan ontkennen dat we verder zijn dan toen: de verandering van Nederland is onmiskenbaar. Er is na al die jaren genoeg om tevreden op terug te kijken. Niet alleen is de zichtbaarheid van migranten en vooral hun kinderen in het openbare leven toegenomen, ook baant de aanvaarding van die verandering zich een weg in en door alle conflicten.

Lees ook dit opiniestuk: Het draait niet alleen om Mohammed of Marloes in de stad

Nieuwe verscheidenheid

Toch werpen Godfried Engbersen en zijn collega’s in een recente studie voor de WRR een paar vragen op over de nieuwe verscheidenheid: „Hoe diverser een buurt is, hoe minder mensen zich daar thuis voelen.” Bij die afnemende samenhang spelen ook sociale achterstanden een rol, maar „de invloed van de diversiteit is een stuk groter”. Daar moeten we over willen nadenken.

Dit land is een immigratieland geworden, maar de keuzes die bij een immigratieland horen worden ontweken. Ik stelde al eerder vast dat momenteel meer mensen dan verwacht naar ons land komen. Een nieuwe doordenking van de langetermijngevolgen is nodig, met als inzet dat zoveel mogelijk mensen zich thuis kunnen voelen in dit veranderende land.

De schrijver Anil Ramdas zei het goed: „Nederland is een samenleving in wording. Als je vraagt of de integratie is geslaagd, is dat net zoiets als of de samenleving af is.” Nieuwe mensen trekken naar deze contreien. De cyclus van vermijding, conflict en aanvaarding blijft zichtbaar. Dat wil niet zeggen dat de geschiedenis in een kringetje draait: eerdere migranten worden onderdeel van de verbeelde gemeenschap.

Ooit zei iemand uit de Surinaamse gemeenschap tegen me tijdens een debat in de Bijlmer: „Niemand heeft het meer over ons.” Ik dacht: tel je zegeningen. Zo gaat het meestal. De buitenstaanders van gisteren zijn de gevestigden van morgen. Die verandering gaat gepaard met conflicten, maar zolang die vreedzaam zijn, is het een teken van voortgaande integratie.

Zinnetjes als „immigratie is een feit” of „wen er maar aan” gaan ons niet verder helpen. Ze doen een beroep op gelatenheid, maar zo’n ingrijpende verandering kan alleen worden gezien als een vooruitgang wanneer we het idee van een open samenleving dichter benaderen. De komst van zovelen van over de hele wereld nodigt aan alle kanten uit tot zelfonderzoek.

De waarde van culturen mogen we afmeten aan de mate waarin ze de vrijheid en de kennis verruimen. Gelijke behandeling en gelijkwaardigheid, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst zijn waarden die we kunnen delen. Niemand hoeft te integreren in de samenleving zoals die nu is, maar in de samenleving zoals die zou kunnen zijn. Inderdaad, een gedeelde toekomst weegt zwaarder dan een verdeelde herkomst.

Op maandag 17 februari (20.00 uur) organiseert NRC een debat met Paul Scheffer in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Haagse Zaken: Het multiculturele drama dat zich wel/niet voltrok

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.