‘Het is ongelooflijk maar waar. Ik héb haar gedood’

Geestelijke gezondheidszorg In psychotische toestand doodde Abdel in 2016 zijn vrouw – moeder van hun drie kinderen. Abdel had om geestelijke hulp gevraagd, maar belandde niet in een kliniek. Hij kreeg zeven jaar cel en tbs. Vorig jaar kwam hij voorwaardelijk vrij. Het besef is ingedaald dat hij zijn vrouw heeft gedood „om niks. Vanwege een gek idee in mijn hoofd.”

Met spoed vraag ik uw aandacht’, stond in de brief gericht aan de voorzitter van het gerechtshof Den Haag. Van zijn politiechef had de schrijver, Arnoud Rodenburg, burgemeester van Midden-Delfland, vernomen dat ene Abdel „vrij rondloopt” in zijn gemeente.

De burgemeester hoorde dat „deze persoon” was veroordeeld tot zeven jaar cel en tbs omdat hij bijna drie jaar eerder in psychotische toestand zijn vrouw met messteken om het leven had gebracht. Maar hij hoorde ook dat de man zijn straf nog niet volledig had uitgezeten en dat het hof „gelet op de huidige omstandigheden” onvoldoende redenen zag hem in afwachting van het hoger beroep nog langer vast te houden. Hij zou nu inwonen bij zijn broer in een „kwetsbare wijk”.

Het hof moest begrijpen dat de situatie hem „ernstig zorgen” baarde. Dat de veiligheid in zijn gemeente in het geding was en dat het hem „een onrustig gevoel” gaf dat deze man „wellicht ten gevolge van een psychose op de bus stapt en met een mes willekeurige slachtoffers maakt”. De beslissing hem niet langer vast te houden noemde hij „onacceptabel” en de burgemeester riep het hof op tot herziening van dat besluit.

De brief is gedateerd op 9 april 2019, een week nadat de Tweede Kamer verhit debatteerde over tekortgeschoten overheidsbescherming in de zaak van Michael P., verantwoordelijk voor de dood Anne Faber.

Te slim voor eindexamen

„Weet je wie de slimste van de familie is?” De twee broers wijzen tegelijk naar hun middelste bloedverwant die tot dan toe zwijgzaam op de bank zit – Abdel, die niet met zijn achternaam in de krant wil. De broers zijn met z’n drieën bijeen, in het huis van de jongste. Een appartement met witte muren en op de salontafel een schaal met koekjes.

De drie broers zijn geboren in het Iraakse Kirkuk. „En weet je”, zegt de jongste – ze blijven anoniem omwille van de privacy – „als je in Irak op de middelbare school boven de 90 procent scoort, dan hoef je geen eindexamen te doen.” Abdel haalde dat, zegt hij, als enige in het Koerdische gezin met acht kinderen.

Maar in het leven zijn de kaarten niet voor iedereen fortuinlijk geschud.

Loopt het leven voorspoedig, dan neem je dat vaak voor lief. Maar heb je pech, veel pech, dan kun je gaan twijfelen. Waarom treft dit alles jóú? Je kunt – in combinatie ook met stress en cannabis en mogelijk aanleg – vermoedens krijgen, dat je bent onderworpen aan bijvoorbeeld een complot, een hogere macht. En met veel pech kun je in een psychose belanden en zonder adequate hulp een risico worden voor jezelf en je omgeving.

Dat lot trof Abdel.

Hij kan de vrees van de burgemeester wel begrijpen. Uiteindelijk ís hij ook iemand geworden die een ander heeft gedood. „Dat is de werkelijkheid”, zegt hij, ingetogen. Hij is de vrouw van wie hij hield kwijt, net als hun drie jonge kinderen die thuis waren toen het gebeurde en nu moeten leven met het trauma. Ze zijn toegewezen aan zijn voormalige schoonfamilie in Rusland – zijn vrouw kwam daar vandaan. Abdel, over het delict: „Het is voor mijzelf ook ongelooflijk dat ik dit heb kunnen doen.”

Wat hij hoopt, is dat sommige mensen willen begrijpen dat hij naast dader ook slachtoffer is. Hij weet hoe moeilijk dat is, het heeft hem zélf drie jaar gekost om dat te beseffen. Zijn schuldgevoel overschaduwde alles, en nog bezorgt dat gevoel hem een zwaar gemoed. Maar het inzicht zelf ook slachtoffer te zijn, een besef dat hij pas kreeg nadat artsen hem vertelden dat hij werd beheerst door wanen, een psychose, en nadat de laatste deskundigen concludeerden dat het delict hem helemaal niet toe te rekenen viel, omdat hij ten tijde van het delict een ánder persoon was, iemand die hij nooit meer worden wil, dat inzicht helpt hem met de verwerking. En nu het beter gaat en hij door de juiste medicatie is verlost van zijn psychose en weer werk heeft, als vrijwilliger in een keuken, wil hij vertellen hoe het zover kwam. In de hoop dat het een ander niet overkomt.

„We woonden in de mooiste wijk van Kirkuk”, zegt de oudste broer, die is gaan zitten op een stoel tegenover de bank. „Huizen met tuinen, allemaal laagbouw.” Hun vader werkte bij een oliebedrijf en het leven was goed. „Gratis zorg, gratis onderwijs.” De jongste: „Wij kregen als kind 65 Amerikaanse dollar per maand zakgeld!” En Abdel, geboren in 1971, was voorbestemd carrière te maken in de olie, net als hun vader. Hij vertrok op zeventienjarige leeftijd naar Erbil om scheikunde te studeren.

Instortende economie

Net voor zijn laatste studiejaar viel Irak buurland Koeweit binnen en begon de Golfoorlog. Een jaar later wilde een internationale coalitie aan de bezetting een einde maken en vielen er bommen. De Iraakse economie stortte in en Abdel moest zijn studie staken. De oudste: „We kregen coupons voor het dagelijks eten. Zoveel kilo rijst, suiker, thee, boter.”

De Iraakse leider Saddam Hoessein had zich tegen de Koerden gekeerd, vader vreesde voor de veiligheid van het gezin. De jongste broer: „Hij zei: dit land gaat verder naar de klote. Hij stimuleerde ons om weg te gaan.”

De oudste broer ging als eerste. In handen van smokkelaars belandde hij via omwegen in Nederland – een azc in Eindhoven. En in 1998 haalde hij twee van zijn broers, onder wie Abdel, over om naar Nederland te komen.

De twee waren via Turkije, Azerbeidzjan en Moskou in Kiev terechtgekomen. Daar namen ze het vliegtuig naar Nederland. Abdel, opverend: „Ik had een smokkelaar 5.000 dollar betaald voor een Zwitsers paspoort om naar Nederland te komen, maar toen ik erin keek bleek het Ethiopisch! Ik zei: ‘Maar ik ben helemaal niet donker!’ Die meneer in Kiev haalde zijn schouders op en zei: ‘Daarom kost het ook maar 5.000… Loop langs balie 1, dan komt het goed’.” En zo geschiedde.

In Nederland wilde Abdel zijn studie scheikunde vervolgen, aan de TU Delft. Hij leerde de taal en na ruim drie jaar kreeg hij een verblijfsvergunning. Maar toen hij wilde beginnen was hij nét boven de dertig jaar. Te oud om in aanmerking te komen voor studiefinanciering, hij zag er van af.

Abdel ging werken als afwasser in Hoek van Holland, waar hij zijn latere vrouw zou ontmoeten. Hij had baantjes als kok in een Italiaans restaurant, in het distributiecentrum van Albert Heijn. In 2006 begon hij samen met zijn jongste broer een halal-minisupermarkt in Rijswijk. Hij leende een startkapitaal bij zijn familie en bij de bank. En hij stichtte een gezin.

Kentucky Fried Chicken

Toen kwam de economische crisis. De zaak ging failliet en hij kon alleen zijn familie nog terugbetalen. Abdel belandde met een uitkering thuis en had tienduizenden euro’s schuld bij de ING. Hij werkte als taxichauffeur, als uitzendkracht in de horeca en bij de Kentucky Fried Chicken. Stress overheerste. Hij had zorgen om zijn financiën en piekerde over het onderhoud van zijn gezin met drie kinderen. Hij sliep slecht en rookte cannabis.

De jongste broer, wijzend naar Abdel: „Hij zei: de gemeente doet moeilijk. Ik dacht: misschien is hij depressief. Ik ken hem goed, we schelen een jaar, en hij is heel serieus. Ik zei tegen hem: ‘Jij woont in een land met een dak boven je hoofd, en brood. Maak je niet druk’.”

In 2015 ging Abdel met zijn klachten voor het eerst naar de huisarts. Die schreef antidepressiva voor. Hij slikte een aantal tabletten en sinds tijden sliep hij weer eens goed. Maar zijn vrouw vond niet dat hij het middel nodig had. „Ze zei: je bent toch niet gek?” Abdel stopte met slikken.

Zijn achterdocht werd groter. Hij dacht: niets lukt, daar zit iets achter. Abdel: „Ik heb een brief naar de gemeente gestuurd, dat er een grote macht achter mij aan zat. En dat ik bang was dat die mijn gezin iets zou aandoen. Ik kreeg geen antwoord.”

De jongste: „Dit was niet zoals ik hem kende. Hij vertelde rare verhalen. Dat iedereen tegen hem was, dat er een grote macht was. Hij ging ruzie maken, terwijl hij van nature juist een rustig persoon is. ‘Jullie weten alles,’ zei hij, ‘maar durven het niet te vertellen!’ Wij zeiden: ‘Doe alsjeblieft rustig aan.’”

Abdel: „Ik dacht écht dat er een grote macht was. En hij werd steeds groter. Ik dacht aan de koning en aan een maffiaorganisatie die een complot had gesmeed tegen mij. En ik dacht dat God mij gekozen had om te strijden tegen het kwaad.” Als hij buiten een helikopter zag, dacht hij: die komt voor mij. Iemand die bleef zitten in een auto: die komt voor mij. Hij durfde geen sigaret weg te gooien, bang dat hij zou worden opgepakt. Abdel raakte in de ban van het vermoeden dat ook zijn vrouw deel was van het complot. Hij begreep het niet: zij vertelde dat ze zich zorgen maakte over hem, maar waarom had ze dan gevraagd ‘jij gaat toch geen zelfmoord plegen?’ „Mijn interpretatie was: ze wíl dat.”

Abdel begon te denken dat zijn vrouw door de hoge macht werd betaald om informatie over hem te delen. Hij ging op zoek naar geld in huis dat ze vast ergens zou verstoppen. Hij bekeek apparaten en draden en dacht: waar leiden ze heen? Hij schakelde het internet uit, de smart tv, bang om te worden afgeluisterd. Hij hield de gordijnen dicht. De deuren gingen op slot, de sleutels verstopte hij. En hij ging denken dat zij het op hem gemunt had, of op de kinderen.

Spoedpoli

De situatie werd onhoudbaar, ook voor zijn gezin. De jongste broer nam Abdel in huis en meldde hem ziek bij de Kentucky Fried Chicken. Samen met zijn oudste bezocht Abdel halverwege 2016 de spoedpoli van zorginstelling Parnassia, voor psychiatrische hulp. Volgens de behandelaars was acute hulp niet noodzakelijk. De instelling zou spoedig contact opnemen voor een afspraak met de psychiater, begrepen Abdel en zijn broers. Maar een week later, toen ze van de instelling nog niets gehoord hadden en het wantrouwen van Abdel verder was toegenomen, belde de jongste broer de crisisdienst. Die kwam bij Abdel en zijn gezin thuis, twee medewerkers sterk. En Abdel nam in zijn achterdocht met zijn telefoon een deel van het gesprek op.

„Hier, luister maar”, zegt hij, en hij drukt op ‘play’.

Abdel heeft de medewerkers net verteld dat hij een week eerder op de spoedpoli was. „Wat was er aan de hand?” vraagt een medewerker. „Ik weet het niet meneer”, antwoordt Abdel. „Er is heel veel aan de hand. Ik kan niet op straat lopen, ik kan geen boodschappen doen. Iedereen vertelt mij, met zijn ogen, zijn handen, dat er iets aan de hand is. (…) Ik wil graag weten wat dat is. Ik denk dat er een spelletje met mij gespeeld wordt, en dat heel veel mensen erbij betrokken zijn. Mijn broers, mijn vrouw zeggen dat er iets in mijn hoofd niet klopt (…). Gekke ideeën komen op in mijn hoofd. Ik wil gewoon weten: wat betekenen ze?”

De medewerker: „Andere klachten? Angstig? Slecht slapen?”

Abdel: „Ja, alles eigenlijk.”

De jongste broer: „Hij vertrouwt niemand.”

Abdel: „Het probleem is: ik heb een vijand.”

De medewerker: „En wie denkt u dat de vijand is?”

„Ik moet feiten hebben, daar ben ik naar op zoek.”

„Voelt u zich ook somber (...) ? Depressief?”

„Ja ook.”

„En het is ook moeilijk voor uw vrouw.”

Abdel: „Ja klopt.”

Zij: „Ik ben ook bang. Ik zit thuis achter gesloten deuren, zonder sleutels, zonder telefoon, zonder internet. Ik mag niet naar de winkel, mag de mensen niet aankijken.”

Tijdens het gesprek wijst Abdel naar iemand die voor het raam voorbij loopt. „Deze meneer, die loopt elke dag voorbij. Hij gaat nu niks doen, maar elke dag, (…) elke keer, hij doet iets…”

De medewerker: „De werkelijkheid wordt door u anders geïnterpreteerd.”

Abdel: „Dat is er aan de hand ja.”

„En dat noemen we psychose. U heeft paranoïde wanen. Dat zou behandeld moeten worden.”

„OK.”

„Daarvoor moeten we een afspraak maken met de arts. Om te kijken of u medicijnen moet hebben.”

„OK.”

Drie dagen later, op 14 juli 2016, ging het mis. Een „tsunamidatum”, zegt Abdel.

Achteraf noemt hij de beslissing hem niet op te nemen onbegrijpelijk. Meermaals heeft hij contact gezocht, zowel met de huisarts als met Parnassia, en steeds was de inschatting dat hulp kon wachten. „Terwijl ik altijd heb meegewerkt. En altijd heb gezegd: het gaat niet goed.”

Een woordvoerder van Parnassia zegt in een reactie dat bij de spoedpoli „de mate van spoed wordt bepaald door de verwijzer” en dat patiënten met spoed-aanmelding „altijd binnen twee weken” worden gezien. „Voor patiënten die acuut behandeling nodig hebben bij een psychose of andere ernstige aandoening kent Parnassia geen wachtlijsten.” Dan kan direct worden gestart met een opname in de kliniek „of intensieve behandeling thuis”.

Als bij een acute situatie de crisisdienst is ingeschakeld, zoals bij Abdel, dan wordt een patiënt volgens Parnassia „binnen drie uur beoordeeld en/of behandeld”. Afhankelijk van de uitkomsten van de beoordeling kan de crisisdienst besluiten tot het toedienen van medicatie, het organiseren van „vervolgzorg” of een kliniek-opname – zo nodig gedwongen. „Als er na de beoordeling van de crisisdienst iemand niet acuut wordt opgenomen dan houdt dit in dat de situatie op dat moment middels een andere passende interventie kon worden opgelost”.

Hoe de beoordeling bij Abdel is verlopen? Parnassia: „Wij mogen niet inhoudelijk ingaan op een individuele casus”.

Illustratie XF&M

‘Paranoïde waanstoornis’

Abdel belandde niet in de kliniek, hij belandde in de beklaagdenbank. Daar, bij de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, oordeelden twee deskundigen ruim een jaar later dat Abdel tijdens het delict leed aan een „paranoïde waanstoornis”, een chronische aandoening waarvoor een „langdurige” behandeling nodig was, van „zeker een aantal jaren”. De rechtbank ging daarin mee, noemde Abdel „verminderd toerekeningsvatbaar” en legde hem een gevangenisstraf op van zeven jaar en verplichte behandeling in een tbs-kliniek.

Maar eenmaal in de gevangenis ging het snel beter met Abdel. Hij kreeg trauma-therapie, was van zijn cannabisverslaving af en nadat de psychiater in juni 2017 voor het eerst antipsychotica voorschreef, gebeurde iets wat niemand had verwacht: al binnen een paar maanden was hij van zijn paranoia verlost.

Wás het wel een paranoïde waanstoornis waaraan hij leed? Zijn behandelcoördinator van de psychiatrische gevangenis in Scheveningen achtte dat „niet waarschijnlijk”. Zijn advocaat Susan Koster vroeg twee andere deskundigen om een contra-expertise, en ook die noemden een waanstoornis onaannemelijk, gezien de effecten van de medicatie. Hun diagnose: een acute psychose, al „volledig in remissie”. Ofwel, zijn angsten en achterdocht waren verdwenen.

Abdel ging in hoger beroep en aan het gerechtshof Den Haag vroeg advocaat Koster om een schorsing van zijn verblijf in de gevangenis. De laatste deskundigen vonden geen recidivegevaar, Abdel slikte trouw zijn medicatie, had alle behandelingen gemotiveerd doorlopen en hij kon inwonen bij zijn jongste broer. Mocht zijn achterdocht terugkeren, zo betoogde ze, dan zouden zijn broers én de ggz dat ruim op tijd opmerken, want ook de opbouw van zijn paranoïa had maanden geduurd. Maar de advocaat-generaal was het daar niet mee eens. Die had nog vragen aan de deskundigen en wilde nader onderzoek en vond opheffing „op dit moment volstrekt onverantwoord”.

Het hof wees het verzoek van de advocaat-generaal af. Het hof vond de verbeteringen van Abdel overtuigend genoeg om het verzoek van de advocaat toe te wijzen, mits Abdel zich zou houden aan de voorwaarden van de reclassering – dat hij zou inwonen bij zijn broer bijvoorbeeld. Het hof schorste de voorlopige hechtenis en na ruim tweeënhalf jaar achter de tralies belandde Abdel op 28 maart 2019 weer op de bank bij zijn jongste broer.

‘Discussie rond Michael P. speelde rol’

Nee, hij wist niet dat de toestand van Abdel door de medicatie zo sterk was verbeterd, zegt Arnoud Rodenburg, burgemeester van Midden-Delfland. Maar hij staat nog steeds achter de brief die hij op 9 april stuurde naar het hof. „Ik ben als burgemeester verantwoordelijk voor mijn burgers. De beslissing van het hof druiste in tegen mijn gevoel van veiligheid.”

Allereerst, zegt hij, omdat het hoger beroep nog moest dienen en de dader zijn straf nog niet volledig had uitgezeten. „Iedereen zou zeggen: hoe kan dit? En ja, dan hoor je ‘om alvast te wennen aan de samenleving’. Maar dat heeft een risico.” Ook de discussie rond Michael P. speelde een rol: „Een week eerder was er een Kamerdebat. En ook bij P. ging het om iemand die op vrije voeten was gesteld zonder zijn straf uit te zitten. Dat zoiets kan, vind ik merkwaardig.” Bovendien, zegt Rodenburg, is door het hof geen rekening gehouden met de plek waar iemand komt te wonen. „Ik was overdónderd. Ik kreeg alleen het bericht ‘meneer woont daar nu’. In een kwetsbare wijk. Het hof moet zoiets meewegen, vind ik. En ja, dan kun je zeggen dat alle verantwoordelijkheid bij de rechterlijke macht ligt. Maar ík heb als burgemeester een burgertaak, dus ik zeg er wat van. Dat verwachten mijn burgers.”

En de scheiding der machten dan, de uitvoerende macht versus de rechterlijke, komt die niet in het geding? „Het gaat mij om de veiligheid”, zegt Rodenburg. „Ik vind dat je als burgemeester hier wat van zou moeten mogen vinden.” Heeft hij van het hof antwoord gehad? „Alleen dat de brief ontvangen was en het hof er niet inhoudelijk op zou reageren.”

Lees ook: ‘Chronisch zieken worden te ingewikkeld gevonden’

Volgens advocaat Susan Koster kwám de scheiding der machten in het geding. Twee dagen na versturen van de brief belde de voorzitter van hof haar persoonlijk op om een volgende zittingsdatum voor de zaak te plannen. Vanwaar de spoed opeens? Terug in hechtenis hoefde Abdel niet, maar op die zittingsdatum, 5 juli, wees het hof wél alsnog het verzoek toe om Abdel nader te onderzoeken. Dat verzoek was afkomstig van de reclassering, terwijl die zo positief over hem was geweest en het recidive-risico had ingeschat als ‘laag’. Haar vermoeden: dat de brief van de burgemeester bij de rechtelijke macht tot zweetdruppels heeft geleid. Ze deed daarop in oktober een poging het hof te wraken. Tevergeefs: van ongeoorloofde beïnvloeding was volgens de wrakingskamer geen sprake. Het hof zal het hoger beroep binnenkort inhoudelijk behandelen.

Geestelijk herstel – en het besef

De jongste broer staat op van de bank, geïrriteerd. Abdel blijft zitten, armen over elkaar. Weet je, zegt Abdel, die hele brief van de burgemeester doet hem eigenlijk „niet zoveel”. „Waarom zou ik me nog druk maken?” Hij vergelijkt zich met een man die door regen is doorweekt: „Ik voelde me al een natte man. Ik ben niet meer bezig met de regen.” Veel moeilijker vond hij de periode van zijn geestelijk herstel, door de medicatie. Pas toen zijn psychose was verdwenen, besefte hij wérkelijk wat er was gebeurd. „Dat ik mijn vrouw had gedood, om niks. Vanwege een gek idee in mijn hoofd.”

De jongste broer legt twee doosjes op de salontafel. Op het ene staat ‘Olanzapine’, dat is de antipsychotica. Op het andere, het antidepressivum, ‘Citalopram’. „Hier, die pillen kosten 45 cent per stuk. Hadden ze ’m dat gegeven, dan was dit niet gebeurd.”