Herman Pleij

Foto Merlijn Doomernik

Herman Pleij over 15de-eeuwse seks: ‘Geen vieze boekjes, nee, toneel!’

Interview Herman Pleij, historisch letterkundige, vond opmerkelijk veel teksten over seksualiteit in de vijftiende eeuw. „Uiteindelijk durfde ik wel van een seksuele revolutie te spreken”. Hij schreef er een boek over.

‘Vroomheid en lust liepen in de Middeleeuwen dwars door elkaar heen”, schrijft neerlandicus Herman Pleij in zijn nieuwe boek Oefeningen in genot. „Vorsten”, vervolgt hij, „lieten hun maîtresses schilderen in de gedaante van Maria, één borst nog boller uit haar lijfje springend dan strikt noodzakelijk was voor het voeden van de bastaard op haar schoot.” De laat-middeleeuwse schilders gaven het kind Jezus ook gerust een sixpack (Jan Cornelisz. Vermeyen) of de gekruisigde een erectie (Maarten van Heemskerck), in hun spagaat tussen Roomse repressie en seksuele bevrijding.

Oefeningen in genot. Liefde en lust in de late Middeleeuwen is onmiskenbaar het product van een letterkundige die in de jaren zestig van de vorige eeuw, tijdens de seksuele revolutie, middeleeuwse literatuur begon te bestuderen. Pleij beschrijft in zijn boek een eerdere seksuele revolutie, die hij dateert in de vijftiende eeuw. „Ik vond een opmerkelijke concentratie van bronnen en teksten uit die periode over liefde en lust, daar ontploft iets in die Vlaamse en Brabantse steden, daar barstte een openbaar sekstheater los”, vertelt Pleij in het P.C. Hoofthuis in Amsterdam, waar hij als emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde nog altijd een werkkamer heeft. „Want de teksten die ik bespreek zijn geen vieze boekjes die je stiekem in je eentje zit te lezen, nee, dit is voordrachtswerk, dit is toneel, dit is muziek!”

Wie wil zien hoe die teksten ongeveer zullen zijn voorgedragen, kan Pleijs optreden bij De Wereld Draait Door van afgelopen woensdag bekijken (22 januari). Pleij klimt op de tafel van Matthijs van Nieuwkerk om middeleeuwse erotische poëzie te declameren: „Als sij malcanderen alsoe verrommelen, / Dat sy ’t decsel van den hoofde totten voeten / Werpen ende van den bedde stommelen.” Die voordrachten waren interactief, benadrukt Pleij, en het publiek in de studio joelt al even enthousiast als de middeleeuwers dat op hun marktplein zullen hebben gedaan.

Herman Pleij (Hilversum, 1943) is een onstuitbare vakgek, die studenten Nederlands generaties achtereen de liefde voor de Middeleeuwen bijbracht, en generaties televisiekijkers eveneens, als gast bij de talkshows van achtereen Sonja Barend, Barend & Van Dorp, Pauw, Jinek en nu dus Matthijs van Nieuwkerk. Hij houdt ervan zijn luisteraars erop te wijzen dat die erfgenamen zijn van de middeleeuwers, niet zo heel ver verwijderd van het volkje dat zo stereotypisch wordt gezien, aldus Pleij, als „een woest driftmatig volk in een tijd van pest, pokken, plagen en overstromingen.” Hij zoekt ook graag naar sporen van onverwoestbare Nederlandse identiteit, waar hij veel over publiceerde. Door zijn alomtegenwoordigheid in het Nederlandse publieke debat is hij zelf bijna een onderdeeltje van de Nederlandse identiteit geworden.

Pleij: „Ja, uiteindelijk durfde ik wel van een seksuele revolutie te spreken. Ook omdat de reactie van de kerk daarop wijst, bij het Concilie van Trente [1545-1563, red.] is het terugdringen uit de kerken, uit de kapellen van Maria met die blote borsten een heel nadrukkelijk agendapunt. En de teksten waar ik me op baseer, werden niet geschreven door marginale figuren hè, het waren de vooraanstaande literatoren, stadsdichters als Anthonis de Roovere uit Brugge en Jan Smeken uit Brussel. Die kwamen met allerlei nieuwe kunstige verbale obsceniteiten. Er is een enorme drang om nieuwe woorden te bedenken, wat ik een kenmerk van revolutie vind.”

Wat is uw lievelingsneologisme uit die tijd?

„‘Pannenkoecken’. Als werkwoord. Dat vind ik fantastisch. Het betekent zo plat mogelijk tegen elkaar aan liggen. En dat is veel revolutionairder dan het klinkt: sinds de zondeval is dat hele lichaam ziek, zwak en misselijk. Door de zintuigen, de openingen naar buiten is het verleidbaar, het is materiaal voor de duivel, vooral als er vrouwen in de buurt zijn. Daarom zijn woestijnvaders en monniken er ook zo door geobsedeerd zich af te schermen van de buitenwereld, om hun zintuigen te negeren, tot zelfcastratie aan toe. Voortplanten, schreef de kerk voor, moest gebeuren terwijl men elkaar zo min mogelijk aanraakte. Daarom is pannenkoecken zo mooi – dan mag het weer.”

Hoe verklaart u die omslag?

„In de veertiende eeuw werd de natuur herontdekt. Want die was sinds de zondeval vervloekt en verdoemd.”

In de vroege Middeleeuwen was niet alleen seks verdacht, maar ook dans, muziek, eten, drank. Vanwaar die afkeer?

„Dat alles zou leiden tot controleverlies. Dat is de essentie, dat Adam en Eva bij de zondeval de controle over hun lichaam verliezen, beheerst worden door hun verlangens, en zo een makkelijke prooi voor de duivel worden. In het paradijs zouden Adam en Eva ook wel seks hebben, schrijft Augustinus in Over de stad Gods, maar dat ging er dan totaal lusteloos aan toe, het was een soort corvee, Adam verhief zijn lid op commando en Eva bleef eeuwig maagd maar kreeg desalniettemin kinderen. In de korte tijd dat Adam en Eva het paradijs bewoonden is het er volgens Augustinus dus ook nooit van gekomen.”

Kwam het niet op bij middeleeuwse theologen dat de zondeval dus ook als een soort zegen te beschouwen is?

„Jawel, de mens moest weten wat het kwaad was om het goede te kunnen onderscheiden. Daarover brandden dus enorme theologische disputen los, dat ze van God ook allerlei zintuigen hebben gekregen die ze misschien dan ook wel moesten gebruiken. In de veertiende eeuw wordt ook vastgesteld dat het aardse paradijs nog moet bestaan – je kunt er niet meer in, je bent voorgoed buitengesloten, maar je kunt er nog wel naar zoeken. Columbus bijvoorbeeld was bezeten van die gedachte.”

De middeleeuwers waren schijnheilig in de beste zin van het woord: strenge voorschriften van de kerk stonden, zo schijnt het, mijlenver af van de dagelijkse praktijk. Pleij: „Men zegt weleens dat de kloof tussen de heersende moraal en de praktijk kleiner wordt naarmate een cultuur beschaafder wordt. Daar kun je over debatteren. Maar er is wel eens door biologen uitgerekend dat wanneer de middeleeuwers zich hadden gehouden aan de wetten van de kerk over seks – niet rond menstruatie, niet rond geboorte, niet tijdens de vasten, niet op vrijdag, niet op zondag, en ga zo maar door, meer dan de helft van de dagen niet – de mens in Europa de Verlichting niet had gehaald.”

In de steden werden liedjes gezongen en kluchten opgevoerd over de vreselijk ongecultiveerde seksuele mores op het platteland – ook in de Middeleeuwen voelde de stedelingen zich mijlenver verheven boven de dorpelingen. De boodschap was ‘neem geen voorbeeld aan deze barbarij’ maar door de details in de teksten was het resultaat zuivere pornografie. Pleij in zijn boek: „Men [maakte] elkaar duidelijk hoe beschaafd leven eruit behoorde te zien door het tegendeel daarvan aan de kaak te stellen. En hoe preciezer die tegenbeelden gepresenteerd werden, hoe sterker de aandrang zou zijn om daarvan afstand te nemen.”

Uit het boek spreekt ook de lange geschiedenis van misogynie. De vrouw was de belichaming van de duivel, ze was „niet helemaal afgebakken” en dus een paar graden kouder dan de man, alleenstaande vrouwen fungeerden als zondebok voor alles wat er misging in een gemeenschap en werden als heks verbrand, boerenmeisjes vroegen erom verkracht te worden en getrouwde mannen hadden het recht om hun echtgenote tot op sterven na dood te slaan. Pleij citeert uit een politiereglement uit 1444 uit Aardenburg, in Zeeuws-Vlaanderen: „Een man mach sijn wijf slaen ende steken, upsniden, splitten van beneden tot boven ende waermen zijn voeten in haer bloet.” Zolang ze maar niet dood ging. En dat alles omdat de vrouw het controleverlies symboliseerde – een geluid dat nog steeds klinkt bij figuren als YouTube-psycholoog Jordan Peterson en zijn aanhangers, die in de vrouw ‘chaos’ zien waar de man ‘orde’ belichaamt.

En, hoe heeft u zelf de seksuele revolutie beleefd?

„Ja, ammehoela.”

In algemene termen dan.

„De seksuele revolutie van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw is ook uit de hand gelopen hè. Alles moest bevrijd worden, tot en met de seksuele omgang tussen een volwassene en een kind. Dat was modern, dat was vooruitstrevend. Er was een blad, Sekstant, daar was je op geabonneerd als je van de betere milieus was, als je kunstenaar of intellectueel was. Pedofilie werd daarin verheerlijkt. Moderne idealen sloegen door.”

Lees ook: Orgies, verkrachting en masturbatie als drijvende kracht in de geschiedenis

Zag u dat toen ook al?

„…. nee. Die dingen gaan heel geleidelijk, hè.”

U was hier, aan de UvA, natuurlijk wel een soort voortrekker.

„Nou, ik studeerde af in 1968, toen het allemaal een beetje begon. In die jaren hingen er voortdurend spandoeken op de gevel, studenten mochten zichzelf cijfers geven, een experiment dat gelukkig niet lang duurde, het Maagdenhuis was bezet. Ik heb nog honderd wc-rollen afgeleverd bij de bezetters van het Maagdenhuis, die waren gedoneerd door het actiecomité communisten van de Jan van Galenstraat. Hoe revolutionair alles ook was, en hoezeer de vrouwen ook bepaalde fundamentele rechten eisten, zoals baas in eigen buik, het trieste was dat de meisjes die actie voerden een soort pitspoezen bleven. Die smeerden boterhammen, bedienden de stencilmachine, en lieten zich op de matrassen van het Maagdenhuis bezitten door de leiders van de bezetting.”

Was u erbij?

„Nee – ik werd na mijn afstuderen meteen docent, waardoor ik dus die brugfunctie kreeg tussen hoogleraren en studenten.”

Herman Pleij was geenszins voorbestemd om de beroemdste letterkundige van Nederland te worden. Bij hem thuis waren er geen boeken. „Nou ja, mijn vader heeft één keer, toen ik tien was – we woonden op een flat, de eerste van Hilversum – een encyclopedie in één deel gekocht van een verkoper aan de deur. Dat had je in die tijd nog hè, dat mensen colporteerden langs de deuren. Mijn vader zei: ‘Nu hebben we alle kennis in huis’. Hij was niet helemaal gek, dus hij wist ook wel dat dat een betrekkelijke opmerking was. Maar hij had het voor ons had gedaan. Ik heb ’m nog steeds.” Pleij leerde, naar eigen zeggen, lezen in veertien dagen in de eerste klas van de lagere school. „Ik was bezeten van lezen. Ik had een bedlegerige tante met reuma, en voor haar moest ik boeken halen van de bibliotheek, dat was bij een sigarenmagazijn dat in een achterkamertje allemaal boeken had. Het moesten altijd boeken zijn met het rode stickertje van ‘realisme’. Ik las die dan tussen het moment dat ik ze ophaalde en het moment dat ik ze bij mijn tante moest afleveren. Dus ik wilde Nederlands studeren, ik wilde naar Amsterdam, en ik wilde schrijver worden.” 

En hoe belandde u vervolgens bij middeleeuwse letterkunde?

„Niemand interesseerde zich toen een moer voor teksten uit het verleden. De Gijsbrecht een beetje, de Reynaert een beetje, maar de opvatting toen was dat je het verleden van die teksten af moest krabben om de tijdloze esthetiek erin bloot te leggen. Wat een gelul! Ik wilde die teksten lezen als een sociaal-economisch fenomeen, begrijpen waarom mensen die teksten wilden lezen, wat ze erin zagen, wat ze hen zeiden.”

Is niet het mooie van de Middeleeuwen ook dat je betrekkelijk weinig bronnen hebt en je zo redelijk veel aan kunt laten komen op je eigen verbeelding?

„Dat is volkomen… in de roos. Je ziet het als je internationaal naar de vakgenoten kijkt, mediëvisten en classici zijn vaak heel literaire, creatieve mensen. Dat was voor mij ook… Zo kon ik toch een soort schrijver zijn, die ik wilde zijn, maar waar ik gewoon de aanleg voor miste. Maar op dit terrein kan ik toch een verhaal vertellen, verbindingen maken. Als je maar duidelijk maakt wat de status van je bewering is, als het maar duidelijk is voor de lezer wat speculatie is en wat niet, wat je bronnen zijn, en op grond waarvan je die verbanden legt.”