Een biljoen bomen? Daarmee redden we de aarde niet

Klimaat Van Timmermans tot Trump, velen zien het planten van bomen als een wondermiddel tegen klimaatverandering. Wetenschappers zijn voorzichtig: „Verlaag je verwachtingen.”

In de Chinese provincie Gansu worden bomen in een dambordpatroon geplant. De bomen breken wind en de wortels houden zand vast.
In de Chinese provincie Gansu worden bomen in een dambordpatroon geplant. De bomen breken wind en de wortels houden zand vast. Foto Wang He/Getty Images

Lijkt het maar zo, of wil iedereen, in de strijd tegen een opwarmende aarde, opeens boompjes planten? In Europa moeten er twee miljard bij komen, zo opperde eurocommissaris Frans Timmermans vorige maand als onderdeel van zijn Green Deal. In Groot-Brittannië gingen de afgelopen maanden soortgelijke getallen rond, alleen al voor dat land. De Verenigde Staten sloten zich deze week aan bij een internationaal initiatief om een biljoen bomen te planten: president Trump zelf bracht het nieuws in Davos. En de opties voor mensen om vrijwillig een boom te laten planten – bij de aankoop van spullen, bij het browsen, zomaar – schieten als paddestoelen uit de grond. Help mee een miljard bomen te planten in de Amazone! Vergroen Afrika!

„Er is een hype nu, maar bomen planten kan echt wel helpen”, zegt Gert-Jan Nabuurs, hoogleraar Europese bossen aan de Wageningen University & Research. „Ook grote partijen, zoals bedrijven en pensioenfondsen, raken geïnteresseerd.”

Toch zitten aan het planten van bomen allerlei mitsen en maren, zo leert een duik in de wetenschappelijke literatuur en een rondgang langs een twaalftal bosdeskundigen, ecologen, klimaatonderzoekers en beleidswetenschappers.

Het idee is zo simpel. Een boom haalt het broeikasgas CO2 uit de lucht, zet dat in combinatie met zonlicht om in suikers, en gebruikt die suikers onder andere om te groeien. Daarmee ligt (een deel van) de opgenomen koolstof vast. Hoe meer bomen je plant, hoe meer CO2 je vastlegt.

Wat je daarmee wel niet kunt bereiken, daarover heeft een aantal studies de laatste jaren torenhoge verwachtingen gewekt. Met name een publicatie in Science vorig jaar juli trok veel aandacht. Maar die werd ook meteen bedolven onder de kritiek. Volgens deze studie zou 0,9 miljard hectare extra aan land bebost kunnen worden – een gebied bijna zo groot als de VS. En daarmee zou in totaal 205 gigaton koolstof (GtC) vast te leggen zijn. Dit getal moet over decennia worden uitgesmeerd – de periode dat bomen groeien – maar welke periode, dat zeiden de auteurs er niet bij. Dus was ook niet duidelijk hoeveel koolstof er gemiddeld per jaar vastgelegd zou kunnen worden. Ter vergelijking: vorige maand publiceerde een grote groep wetenschappers onder leiding van Pierre Friedlingstein van de Universiteit van Exeter de jaarlijkse koolstofbalans van de aarde, dit keer over het jaar 2018. Hun berekeningen komen erop uit dat de mens circa 9,5 GtC uitstootte met het verbranden van fossiele brandstoffen. Deze post bleek veel groter dan de post van bomen. Die verrekent CO2-uitstoot (door ontbossing, selectieve houtkap, natuurlijke afbraak) met CO2-vastlegging (bebossing, natuurlijk herstel). Deze post kwam uit op een netto uitstoot van circa 1,5 GtC. Voor 2017 waren de cijfers vergelijkbaar, respectievelijk 9,4 en 1,5.

Plaatselijke bevolking in de Chinese provincie Gansu planten bomen om verwoestijning tegen te gaan. Foto Wang He/Getty Images

Toch was voor de auteurs van het Science-artikel de conclusie duidelijk. Boomherstel is onze meest effectieve oplossing om klimaatverandering tegen te gaan, schreven ze. „Nonsens”, reageert Pierre Friedlingstein, hoogleraar wiskundige modellering van het klimaatsysteem. „Ik heb nog nooit een publicatie gezien waarop zoveel negatieve reacties zijn ingezonden, en ook geplaatst.” Science plaatste er zes, waarvan Friendlingstein er, samen met vier collega’s, eentje schreef. Elk commentaar wijst op andere zwakheden in de studie. „Mijn advies:”, zegt Friedlingstein over de potentie van bosherstel, „verlaag je verwachtingen”. Wat we ook doen met de bossen, zegt hij, het zal niet genoeg zijn om de huidige uitstoot van fossiele brandstoffen weg te werken. In zijn ogen blijft het snel uitfaseren van die fossiele brandstoffen „number one” om te doen.

Dat zegt ook Jonathan Doelman van het Planbureau voor de Leefomgeving. Aan massale herbebossing kleven allerlei risico’s, zo beschreef hij afgelopen oktober met collega’s in een artikel in Global Change Biology. De aangewezen plek voor deze operatie is de tropen. Want hier groeien bomen het snelst, en leggen ze dus relatief veel koolstof vast. Daarbij zijn er aanwijzingen dat tropisch bos via verdamping en wolkenvorming ook nog eens zorgt voor koeling.

Maar als in de tropen het bos uitbreidt, zegt Doelman, is er minder grond voor landbouw. En die wil ook uitbreiden, juist in dit gebied – de huidige ontbossing is vooral in de tropen. Want de groeiende bevolking hier moet gevoed, en vanuit het buitenland is er een toenemende vraag naar bijvoorbeeld vlees en zuivel – bos maakt plaats voor weilanden of voor akkers vol veevoer. „Bosherstel kan dus leiden tot meer honger in Afrika en Zuid-Azië”, zegt Doelman. Verder, zegt Doelman, kunnen massale investeringen in herbebossing ertoe leiden dat bijvoorbeeld de industrie minder doet en relatief veel blijft uitstoten. „Dit is een cruciaal risico, want die koolstof blijft heel lang in de atmosfeer.” Daarom is hij veel gematigder over de potentie van bosherstel.

Handen in het haar

Los van de lastige discussie hoeveel je met herbebossing nou precies kunt bereiken, is er nog de vraag hoe je dat het beste doet. De ideeën hierover zijn aan het verschuiven, zegt Nabuurs. Het veranderende klimaat speelt hierin een rol, maar ook de in 2015 uitgebreide duurzaamheidsdoelen van de Verenigde Naties. Een bos plant je niet alleen meer aan om op ontboste hellingen erosie tegen te gaan, of om productiehout te leveren. Maar ook voor de biodiversiteit, om de lokale bevolking van voedsel en werk te voorzien, om water in de bodem vast te houden. En om koolstof vast te leggen.

In Europa, zegt Nabuurs, heeft vooral het veranderende klimaat mensen aan het denken gezet. „Door de droogte van 2018 en 2019 zitten ze in Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Tsjechië nu met de handen in het haar.” In de uitgestrekte fijnsparbossen die in Centraal-Europa na de Tweede Wereldoorlog massaal zijn aangeplant om productiehout te leveren, heeft een bastkever de afgelopen jaren een ravage aangericht. „Normaal beschermt de fijnspar zich tegen die kever door hars uit te scheiden, maar door de droogte maakte hij minder hars aan.”

Het veranderende klimaat drukt bosbeheerders met de neus op de feiten: het Europese bos is relatief eenvormig. Dat blijkt ook uit de laatste inventarisatie, die om de vijf jaar wordt uitgevoerd. In dat rapport, State of Europe’s Forests 2015, lees je dat het Europese bos inmiddels weer 33 procent van het land bedekt. In de zeventiende eeuw was dat door kaalslag teruggelopen tot tien procent. Maar: op dertig procent van het beboste gebied staat nu maar één soort, meestal een naaldboom. En op de overige zeventig procent staan „twee of verscheidene soorten”. Die eenvormigheid maakt het Europese bos kwetsbaar voor bijvoorbeeld plagen, zegt Nabuurs.

Nabuurs heeft drie jaar geleden in het tijdschrift Forests, samen met collega’s uit Frankrijk, Duitsland en Finland, een plan geschreven voor een climate smart Europees bos in 2050, waarmee ongeveer tien procent van de huidige Europese CO2-uitstoot is te dekken. Daarvoor zou het bos verder moeten uitbreiden. Vooral verlaten, marginale landbouwgrond komt daarvoor in aanmerking, zegt Nabuurs. „In Polen, Bulgarije en Roemenië heb je daar grote stukken van.” Beter bosbeheer helpt ook. „Als je jonge bossen sneller uitdunt, groeien de overgebleven exemplaren sneller”, zegt Nabuurs. In Spanje en Portugal zou je eucalyptus deels kunnen vervangen door soorten die beter tegen brand kunnen. Ook zou het gebruik van hout meer moeten verschuiven van verbranding (voor bijvoorbeeld huisverwarming) naar toepassing in de bouw. „Dan stoot je de koolstof niet meteen weer uit”, zegt Nabuurs. Als extra voordeel bespaar je op de productie van beton en staal, waar veel CO2 bij vrijkomt. En om meer biodiversiteit te krijgen zou je in de uniforme bossen meer soorten kunnen aanplanten. Wat ook helpt is meer bos een beschermde status geven – nu is dat twee procent van het gebied.”

Nabuurs praat over „een meer holistisch bos” dat allerlei eisen in zich verenigt. Maar het hoeft niet voor elk bos te gelden. „Plantages blijven nodig.”

Dramatisch verlies

Over de tropen zijn de geraadpleegde wetenschappers eensgezind. Allereerst moet de ontbossing stoppen. Er gaat een uitspraak rond: als de ontbossing een land zou zijn, was hij na China en de VS de grootste uitstoter van CO2. Daarnaast is de ontbossing van de tropen de hoofdoorzaak van het dramatische verlies aan biodiversiteit. Ook worden lokale gemeenschappen gemarginaliseerd.

En als men in de tropen bos herstelt, zou dat slimmer moeten gebeuren. In 2011 bijvoorbeeld werd de Bonn Challenge gelanceerd, een ambitieus internationaal project met als doel om in 2030 een gebied zo groot als India te hebben herbebost. De meeste projecten vinden plaats in de tropen. Maar bijna de helft van het gebied daar blijkt bestemd om een monocultuur-plantage te worden, zo laat vorig jaar april gepubliceerde analyse in Nature zien. „In een plantage kun je met een snelgroeiende soort wel snel CO2 vastleggen, maar voor de biodiversiteit doet het niet veel”, zegt Charlotte Wheeler, een van de auteurs van de analyse, en verbonden aan de Universiteit van Edinburgh. De biodiversiteit kan zelfs afnemen, zo laat een overzichtsartikel in Biodiversity and Conservation (2010) zien. Dat was het geval als de plantage in plaats van grasland, struikgebied of bestaand bos kwam.

In China rijst hetzelfde beeld op, blijkt uit een publicatie in Nature Communications (september 2016). In 1999 startte in dat land een groot herbebossingsplan, vooral gericht op ontbost heuvelachtig landschap, en vooral bedoeld om erosie tegen te gaan. Het programma, zo blijkt uit het onderzoek, bleek „overweldigend” ingevuld met monocultures, of bossen met een paar soorten. De belangrijkste waren eucalyptus, bamboe en Japanse ceder. Voor de biodiversiteit deed het nauwelijks iets. „De lokale ambtenaren werden beoordeeld op snel resultaat, dus werd gekozen voor de ‘quick and dirty’ route”, laat ecoloog Fangyuan Hua weten in een e-mail. Ze is eerste auteur van het artikel, en tegenwoordig hoogleraar aan de Peking University. „Elke bladbedekking was goed. En er was zo ook snel hout voor de huishoudens.” Maar er is verandering, schrijft Hua. Sinds een paar jaar is het beleid meer gericht op natuurlijk herstel van aangetaste bossen. Over dat herstel was de wetenschap lang pessimistisch: als een ernstig verstoord bos al herstelt, dan gaat dat heel langzaam. Maar onderzoek laat anders zien. Zo hebben Wageningse wetenschappers vier jaar geleden in Nature een inventarisatie gepubliceerd van onderzoek op 45 plekken in Latijns-Amerikaans, tropisch laagland. Het ging om ernstig verstoord bos. Binnen twintig jaar zagen de onderzoekers al veel herstel, hoewel dat varieerde, onder andere afhankelijk van de regenval. Gemiddeld duurde het ruim zestig jaar voordat de biomassa bovengronds terug was op negentig procent van de oude waarde van het primaire bos. „Veel wetenschappers zijn denk ik verbaasd en verheugd over hoe snel bomen terugkomen op gedegradeerd land als je het met rust laat. En hoe snel dat weer allerlei dieren aantrekt”, reageert Hua.

Groene muur

Dit zie je niet alleen in regenwoud, maar ook op landbouwgronden, zegt Chris Reij van het World Resources Institute. Hij is gespecialiseerd in het herstel van gedegradeerde gronden in droge gebieden. In Afrika startte tien jaar geleden een programma om een groene muur aan te leggen in de Sahel, over een lengte van 8.000 kilometer. „In eerste instantie gebeurde dat veel met monocultuur-plantages”, zegt Reij. „Maar die bomen stierven vaak.” Gaandeweg hebben boeren in bijvoorbeeld Niger, Malawi, Senegal en Ehiopië oog gekregen voor natuurlijk herstel. Bomen komen vanzelf terug. „En de boeren beschermen de exemplaren die hen van nut zijn.” In een artikel in Biotropica (2016) beschrijft Reij hoe in Niger bijvoorbeeld de hoeveelheid bomen op een hectare land is gestegen van twee à drie tot twintig, veertig, zestig. In dit land wordt deze vorm van agroforestry inmiddels op vijf miljoen hectare toegepast – een gebied iets groter dan Nederland.

Blijft nog de vraag of al de eisen die nu aan bossen worden gesteld, even belangrijk zijn. Is CO2-vastlegging, gezien de dreiging van klimaatverandering, niet belangrijker dan biodiversiteit? De meeste geïnterviewden vinden het een lastige vraag. „Het zijn onvergelijkbare eenheden, CO2 en soortenrijkdom”, zegt Friedlingstein. En dan wordt het een waarde-oordeel. „Als klimaatwetenschapper zou ik zeggen dat CO2-vastlegging belangrijker is, maar een ecoloog zegt wellicht iets anders.” Wheeler benadrukt het inzicht dat natuurlijk bosherstel sneller verloopt dan gedacht, en dus meer CO2 vastlegt dan gedacht. Bovendien is het beter voor de biodiversiteit dan monocultures. Doelman vindt dat „we naar een slimme indeling van het landoppervlak” moeten. Op plekken met hoge biodiversiteit geef je hier de voorkeur aan, op andere plekken is de weging anders. „Zoiets opzetten is lastig, maar het geeft enige houvast.”

Eurocommissaris Timmermans maakt in maart zijn strategie bekend om de biodiversiteit te bevorderen. Kort daarna volgt zijn strategie voor de bossen.