Recensie

Recensie Boeken

Wie vermoordde de ‘hoerenmoeder’ van deze succesauteur?

Kees van Beijnum Anne’s moeder was een ‘hoer’ en werd twintig jaar geleden vermoord. Anne, inmiddels succesvol schrijver, begint in het verleden te spitten, op zoek naar de échte dader.

De Amsterdamse Wallen bij avond.
De Amsterdamse Wallen bij avond. Foto Maurice Boyer

Eén enkel woord geeft al aan hoe Anne, de speurende verteller in de nieuwe roman van Kees van Beijnum, zich tot haar moeder verhoudt: een ‘hoer’ was ze. Geen prostituee, sekswerker of iets anders eufemistisch, nee, een hoer. Eentje die lang achter een Amsterdams raam zat en daar ook haar einde vond: twintig jaar geleden, aan het eind van de twintigste eeuw, sloeg iemand haar met een hamer de hersens in. De vermeende dader draaide de gevangenis in en Anne probeerde alles achter zich te laten. Ze werd schrijfster, had aanvankelijk flink succes en probeert nu, aangespoord door haar uitgever, een autobiografisch boek te schrijven over haar in rood licht doorgebrachte jeugdjaren, want moeders werk en dochters opvoeding vonden in hetzelfde pand plaats. Al snel rijst bij Anne het vermoeden dat haar moeder helemaal niet vermoord is door de man die voor het misdrijf werd veroordeeld en werkt ze zich met haar gespit in de problemen.

Kees van Beijnum heeft zich voor 23 seconden, zo mag inmiddels duidelijk zijn, in wezen ongegeneerd laten leiden door het draaiboek van de thriller. Ongegeneerd, omdat hij de lezer in het verleden ook trakteerde op uitdagender vertellingen waarin meer aan de orde kwam dan de jacht op de mysterieuze man met de hamer. Hij leverde de leeslijstklassiekers De oesters van Nam Kee (waarover deze krant nota bene noteerde dat ‘alleen harten van steen’ er niet door zouden worden geraakt) en Dichter op de Zeedijk af en hij kwam ruim vijf jaar geleden met De offers, een dikke, in Japan spelende roman waaruit niet alleen zijn grote talent voor ingenieuze compositie bleek, maar ook voor het scheppen van personages waar je behoorlijk mee te doen had.

Junks en millennials

Sec bekeken is het uitgangspunt van 23 seconden dus wat dun voor zo’n doorgewinterde auteur als Van Beijnum, maar gelukkig valt er gaandeweg wel meer uit de boom dan een eenvoudige whodunit. Aanvankelijk lijkt dat het creëren van een noir-achtig atmosfeertje te zijn, dat al aan te treffen valt in dat snerpende ‘hoer’ van Anne; in je hoofd vertaal je haar zinnen onwillekeurig al naar hardboiled Engels. Ook hangt er even een luimige schijn-thriller à la Thomas Pynchons Inherent Vice in de lucht, met het in herinnering brengen van een zogenoemde ‘miauw miauw-incident’ dat óók in Annes jeugd plaatsvond. Maar de eigenlijke inzet – de literaire inzet – betreft hier het invoelbaar maken van die twintig jaar tussen dood en Annes speurtocht, wat natuurlijk eigenlijk al af te lezen is aan Van Beijnums keuze om haar nu pas en niet onmiddellijk na de dood aan het graven te zetten.

In Amsterdam hebben de junks en rommel plaatsgemaakt voor opgeruimde millennials

Van Beijnum toont zich hier bij uitstek een Amsterdams schrijver, iemand die heus een moord zal ontrafelen, maar die ook wel graag wil laten zien hoezeer zijn stad in twee decennia van gezicht veranderde. In Annes jeugd was het rommelig en vol junks (waar zijn ze gebleven?), intussen gonst het van de opgeruimde, aan schermen vastgekleefde millennials. De oude buurtgenoten die Anne spreekt, eenvoudige lieden vooral, wekken de indruk door de tijd te zijn ingehaald. De twintig jaar lijken er wel veertig te zijn.

Hoerenkot

Bij gelegenheid slaagt Van Beijnum er goed in om licht te werpen op de pijnlijke momenten van een verdrongen jeugd in een hoerenkot. Anne die een deur opent waarachter haar moeder een klant bedient: ‘Zijn handen lagen aan weerskanten van hem op het bed, ontspannen, met de palmen naar boven, alsof hij voelde of het regende.’ Anne die beseft dat haar opofferingsgezinde oma zich niet alleen de haren uit het hoofd trok vanwege die aan lager wal geraakte dochter, maar ook door de levenswandel van Anne, van wie ze steeds minder begreep. Als Van Beijnum je meeneemt naar een Amsterdamse, volkse kapperszaak, dan bén je er helemaal: ‘Ondertussen praatten en roddelden ze al rokend en koffiedrinkend met Pierre en de leerling-kapster of via de spiegels met elkaar over ziektes, geld, vechtpartijen en tv-programma’s. Slechts de droogkap wist hen tijdelijk tot zwijgen te brengen en dan zaten ze met de ernstige gezichten van kinderen die in de klas moeten voorlezen gebogen over de Privé of de Story, verstoken van de conversatie, die steeds nieuw leven werd ingeblazen zodra een van hen uit de warme windstroom terugkeerde.’ Dat is prachtig verwoord.

Lees ook de recensie van Kees van Beijnums vorige roman: Kon je maar leven zoals je helden dat doen

Er zitten desondanks twee behoorlijke minpunten aan het boek. Ten eerste Van Beijnums schier eindeloze uitstorten van data op de pagina’s. Het is alsof hij zich had voorgenomen om coûte que coûte een roman van 400 bladzijden te schrijven en nog liever op de blote knieën naar Canossa kroop dan dat hij zijn project met de helft zou bekorten – een ingreep die het boek een stuk beter had gemaakt.

Iets pijnlijker is dat hij kansen op een meerdimensionalere roman schept – Anne die blind koerst op het dagboek van de zogenaamde dader, het spiritueel leiderschap van seksbaron Daems – maar die niet of mager uitwerkt.