Recensie

Recensie Boeken

De man die tóch geen dodelijke tumor blijkt te hebben

Pascal Mercier Een man die ten onrechte zijn dood aangezegd krijgt, wijdt zich voortaan aan de zoektocht naar ware zelfkennis. Mercier beoogt ouderwets zelfinzicht, soms op het saaie af.

Foto Getty Images

In de bestseller Nachttrein naar Lissabon pakt een leraar midden in een les zijn jas van de kapstok en loopt naar het station, om niet terug te keren. De nieuwe roman van de Zwitser Pascal Mercier (1944) draait om net zo’n tot de verbeelding sprekend gegeven: een man hoort dat er een tumor in zijn hoofd zit, hij heeft nog maar kort te leven.

Weken later blijkt de diagnose een vergissing, er zijn twee medische dossiers verwisseld. Inmiddels heeft hij afscheid genomen van zijn zoon en dochter, van zijn vrienden, zijn uitgeverij verkocht, de balans van zijn leven opgemaakt en bij de notaris zijn testament geregeld. Het is wederom een ijzersterk uitgangspunt voor een roman die vragen stelt over leven, tijd, taal, vertalen en schrijven.

Het boek begint als Simon Leyland, de hoofdpersoon, door de paspoortcontrole gaat op de luchthaven van Londen: de laatste keer dat hij, thuis in Triëst, naar zijn pasfoto keek, zag hij nog een man die geen toekomst meer had. Nu begint hij aan een tweede leven, een bestaan dat hij from scratch opnieuw kan inrichten. Wat heeft hij met zijn leven gedaan, vraagt hij zich af, en wat gaat hij doen, nu hij weer in een ‘nu’ en in een ‘later’ kan leven?

Na de onheilstijding kocht hij stapels boeken, een taalcursus Chinees, interesseerde zich intens voor andermans leven. Inmiddels is Leyland zijn houvast kwijt, tolt hij door de tijd die onbarmhartig voorbij gaat. Wat heb ik met mijn leven gedaan? denkt hij. Wie heb ik écht gekend? En: ben ik wel écht geweest, genuine, autentico, in de manier waarop ik heb geleefd?

Die vragen stelde schrijver Pascal Mercier zich ook als filosoof, publicerend als Peter Bieri. Voor Bieri/Mercier betekent écht zijn, ‘in de tegenwoordigheid leven’, datgene doen, voelen en zeggen wat met je eigen emotionele identiteit te maken heeft, dicht bij jezelf blijven. Wie ‘in de tegenwoordigheid’ leeft is innerlijk vrij, kent geen dwang.

Terug naar Oxford

Als de fout is ontdekt en Leyland weer toekomst blijkt te hebben, gaat hij eerst terug naar het verleden, letterlijk en figuurlijk. Hij bezoekt Oxford, de universiteit die hij als student verliet om nachtwaker te worden in een hotel. Daar ontwikkelde hij zijn grote liefde voor taal en vertaalde hij zijn eerste boek. Ieder boek van Mercier is een hymne aan de taal als bron van geluk.

Leyland denkt terug aan de ontmoeting met zijn grote liefde, de Italiaanse journaliste Livia, die na de dood van haar vader diens uitgeverij overnam, waarna ze met hun kinderen naar Triëst verhuisden. Leyland vertaalde, alvorens hij de uitgeverij, na Livia’s dood, gaat leiden.

In Londen betrekt Leyland een huis dat hij van een oom heeft geërfd, een professor oosterse talen. In een nagelaten brief roept die oom hem op zijn eigen stem te ontwikkelen en ‘te vertellen over zichzelf, in de vorm van Confessiones, of beter nog, in de vorm van verhalen waarvan de personages [zijn] diepste zielenroerselen in een sterk verdichte en poëtische vorm kunnen doormaken’. Hij moet schrijven in plaats van vertalen – een aanmoediging die hem nog lang bezig zal houden.

Zijn hele leven heeft Leyland voor, in en met taal geleefd. Hij haalt er zijn authenticiteit uit. Als kind al merkte hij dat ‘woorden en gevoelens niet samenvielen’, ‘dat gevoelens in de woorden lagen en tot uiting kwamen in de klank ervan’. Met de jaren is hij een meester geworden in het vertolken van andermans stem. Het gewicht van woorden is dan ook een ode aan vertalers en vertalingen – die lof kan ook de vertaalster van dit boek ter harte nemen.

Mercier kiest voor de constructie van een alwetende verteller en een hoofdpersoon die brieven schrijft aan zijn overleden vrouw. Daardoor lezen we soms, cursief gedrukt, brieven waarin de hoofdpersoon verwoordt wat je als lezer al weet, alleen worden de gebeurtenissen nu van binnenuit verteld. ‘De tijd van de herinnering is een tijd van het begrijpen’. En jezelf spiegelen – daar draait het om.

Op zoek naar zijn stem beseft Leyland dat hij zich eerst moet bevrijden van het oordeel van anderen: de verwachtingen kunnen dwingend en tiranniek zijn – weg ermee! Je moet een ‘innerlijke vesting’ bouwen, waarmee je je beschermt tegen de blikken van anderen. Pas als je die loslaat en je verbeelding laat werken, kom je een stap dichterbij je innerlijke vrijheid. Uiteindelijk slaagt Leyland erin een verhaal te verzinnen, hij ontdekt innerlijk jubelend het schrijverschap.

Punt of puntkomma

Zo schept Mercier verschillende wegen die naar Rome leiden, naar zijn kernpunt, zijn overtuiging dat schrijven een proces is van zelfkennis, als een psychoanalyse. Wie schrijft krijgt een beter beeld van zichzelf, de verbeelding is de eigenlijke plek van de vrijheid, der Weg nach innen, de weg naar innerlijke onafhankelijkheid. En dat heeft niets met publiek succes te maken.

Je moet het maar durven, een roman schrijven die zo tegen de tijdgeest ingaat, een boek dat een zich traag ontvouwende werkelijkheid zet tegenover de vluchtigheid en snelheid van onze huidige wereld, een boek dat de lezer herhalingen voorschotelt, soms op het saaie af beschouwend is, een boek dat begrip en zelfinzicht beoogt. Geen wonder dat Merciers personages zich morele vragen stellen (kun je er in alle ernst over nadenken of je een komma of een puntkomma moet zetten als er mensen zijn die niet weten waar ze vannacht moeten slapen?); dat ze van beroep switchen (van arts naar documentairemaker, van jurist naar vertaler), dat zij in vertalen het hoogste zien, dat zij reizen en leven in verschillende landen en culturen.

Op de keper beschouwd stellen Merciers Nederlandse collega’s, zoals Marcel Möring en Oek de Jong, van ongeveer dezelfde generatie, in hun recente romans Amen en Zwarte schuur indirect dezelfde filosofische en morele vragen: wat heb ik van mijn leven gemaakt, hoe ziet mijn verleden er nu echt uit, wat vermag de kunst, hoe ervaar ik de tijd?

Rasromanciers variëren in hun stijl, in ritme, in tempo, in perspectief, ze impliceren wat niet beschreven kan worden. Daardoor komen ze directer, levendiger bij je binnen. Mercier blijft de docerende hoogleraar filosofie, de nauwkeurige observator van het innerlijk, die de grote vraag naar de individuele vrijheid schematisch en ordelijk, met de hem kenmerkende precisie in kaart brengt – bloedserieus en boeiend. Maar op den duur verlang je naar wat luchtige speelsheid of een vleugje ironie.