Opinie

De dood van een zanger

Frits Abrahams

Wat Nederland betreft verliet de Amerikaanse singer-songwriter David Olney (71) deze week vrijwel ongemerkt de wereld. Zijn dood werd slechts in een enkele krant opgemerkt. Hij zou dat nogal wrang hebben gevonden, want hij hield van Nederland – hij had er een klein, vast publiek waarvoor hij vaak optrad.

Gelukkig gaven buitenlandse kranten als The New York Times en The Guardian hem in korte, prijzende necrologieën wel de postume eer die hem toekomt. Hij was niet zo bekend als degenen die zijn liedjes zongen, schreef de NYT terecht, doelend op artiesten als Emmylou Harris, Linda Ronstadt en Steve Earle.

Hij stierf in stijl. Tijdens een festival met singer-songwriters in Seaside, Florida, was Olney, gezeten in een stoel op het podium, halverwege een song toen hij leek te pauzeren en „I’m sorry” zei. Zijn kin zakte op zijn borst. Collega’s haalden hem van het podium, maar het was al te laat. Vermoedelijk is hij aan een hartaanval overleden; al tien jaar eerder had hij een hartoperatie ondergaan.

Omstreeks 1990 hoorde ik zijn naam voor het eerst. Hij had een solo-cd, Deeper Well, gemaakt die door het muziekblad Oor als een perfect debuut werd aangemerkt. Dat bleek niet overdreven: de cd bevatte de mengeling van melancholieke folk- en countrysongs en pittige rocknummers die kenmerkend voor zijn werk zou worden. Uitmuntend zijn vooral zijn liefdesballads, zoals All of The Love, You Are Here, If My Eyes Were Blind, The Moment I Tell You Goodbye en That’s Why She’s With Me.

Ik zag hem omstreeks 1990 voor het eerst optreden in platenzaak Concerto aan de Utrechtsestraat in Amsterdam. Hij was nog onbekend in Nederland, er waren maar zes, zeven belangstellenden. Het leek hem niet te deren, hij deed enorm zijn best. Hij was toch al een man van in de veertig, een laatbloeier in de popmuziek. Even later zag ik hem met zijn gitaarkoffer weglopen door de Utrechtsestraat, „een vergeten handelsreiziger in liedjes”, zoals ik hem in een column noemde.

Het leek mij een buitengewoon eenzaam bestaan, alleen met die gitaar over de wereld trekken, steeds in kleine zalen belanden waar slechts een handvol hondstrouwe fans wacht. Hij was begonnen in een stevige rockband, maar wilde zich liever aan zijn eigen songs wijden via een solocarrière.

Zijn inspiratie vond hij bij zangers als Townes van Zandt en Bob Dylan. Hij leerde Van Zandt ook persoonlijk goed kennen. Van Zandt, zelf een uitstekende songwriter, heeft ooit gezegd: „Mijn favoriete componisten zijn Mozart, Lightnin’ Hopkins, Bob Dylan en Dave Olney – een van de beste songwriters die ik ooit heb gehoord.”

Waarom werd hij nooit beroemd en, bijvoorbeeld, Leonard Cohen wel? Aan de kwaliteit van zijn liedjes heeft het niet gelegen. En zingen kon hij beter dan Cohen. Hij leek me een bescheiden man die met zijn gezin een onopvallend leven leidde. Laten we het maar op charisma houden – een artiest die dat ontbeert, kan het grote succes vergeten.

Hij was daar een aantal jaren erg teleurgesteld over geweest, gaf hij in een interview toe, maar hij besefte bij nader inzien dat roem ook een obstakel had kunnen worden. „Ik kan nu een gewoon leven leiden. Ik schrijf songs, dat is alles. Het voltooien van een song geeft een van de meest bevredigende gevoelens die ik ken.”