Opinie

Door de deelindustrie verdwijnt het enige goede aan de auto: vrijheid

Essay Het tijdperk van de auto ligt achter ons, schrijft Arjen van Veelen. Maar denk niet dat deelscooters en deelstepjes een goed alternatief zijn.

Er was eens een tijd dat auto’s konden vliegen. In Rotterdam heb je een geliefd kunstwerk dat daarvan getuigt. Het heet in de volksmond ‘de Rode BMW’, je vindt het om de hoek van het Centraal Station aan het Weena. Daar zweeft een, inderdaad, rode BMW half over de rand van een parkeergarage. Bevroren in volle vaart, net een filmbeeld.

De wagen zweeft er al sinds 1987, toen kunstcollectief Kunst & Vaarwerk het werk installeerde, in natura gesponsord door de lokale autodealer. Het werk is intussen een ijkpunt. Ik groeide ermee op, mijn kinderen nu ook. Mijn oudste zoontje noemt het ‘De Auto die Bijna Gaat Vallen’. Elke keer als we erlangs rijden met de tram kijken we of-ie nou al eindelijk gevallen is. Nee, nog steeds niet. Natuurlijk niet. Want de wereld verandert, en deze stad helemaal, maar de rode BMW blijft altijd hetzelfde. Hooguit krijgt-ie soms een likje verf.

Wat wel razendsnel verandert is de manier waarop wij naar auto’s kijken. In de jaren 80 heerste er nog schaamteloze autoliefde, er was ook bijna geen tv-serie of een auto speelde er een hoofdrol in, denk aan The Dukes of Hazzard. Of The A-team. Of Knight Rider. Die gloednieuwe, glanzend rode BMW – om precies te zijn een BMW 3-serie (E30) – sloot perfect aan bij de tijd.

En nu? De grote autoliefde is allang bekoeld, zelfs in Rotterdam, de enige stad die na de oorlog speciaal is ontworpen om de auto ruim baan te geven, naar voorbeeld van Amerikaanse steden. Ook hier hetzelfde liedje: hogere parkeertarieven, lagere maximumsnelheden.

De auto wordt steeds fouter. Het is nu eerder een statussymbool om er géén te bezitten. De rode BMW zelf verwordt meer en meer tot een artefact uit een vervlogen wereld van smog en looddampen. Sterker nog, de rode BMW was de laatste jaren in overtreding, want volgens de milieuzone mochten zulke vervuilende bakken de stad niet eens in.

Het tijdperk van de auto ligt achter ons. Tuurlijk, mijn kinderen spelen nog gewoon met kleine autotootjes, niet met minibakfietsjes. En zeker, autocoureur Max Verstappen is een nationale held. En ja, door mijn straat scheuren nog altijd jochies in Audi’s en Mercedessen. Wat zeg ik, afgelopen zomer vloog er zelfs eentje door de straat – letterlijk met de wielen los – en kwakte tegen een gevel. Maar zie het als de laatste stuiptrekkingen. Nog één keer een flinke dot gas nu het nog kan, nog één keer vuurwerk. Want je voelt met je klompen aan dat het klaar is.

Zelfs autofabrikanten als Volkswagen lijken zich er bij neer te leggen dat de auto als privébezit verdwijnt. In elk geval uit de binnensteden. Daarom steken ze zoveel geld in alternatieven. Ford investeerde bijvoorbeeld miljoenen in een deeldienst voor elektrische steppen . Ook Audi, Mercedes en BMW hebben eigen e-stepjes en scooters. En nee, niet als hebbeding voor in de achterbak, maar als troonopvolger.

Het duurt heus nog even, maar wie nu z’n rijbewijs haalt behoort bij de laatste generatie automobilisten. Intussen is de chaotische opvolgingsstrijd al gaande op straat. Daar zoeven elektrische steppen skateboards, segways, hoverboards, monowheels. Een kluwen van deelscooters, zoemende golfkarretjes en futuristische driewielers. Alsof er kinderspeelgoed over de stad is uitgestrooid. Maar er is een serieuze revolutie gaande. Van auto naar app, van benzinetank naar lithium-ion-batterij, van VRRRRROEM naar woessjjj en zoefff.

Opeens hebben we er tien manieren om thuis te komen bij, de vraag is welke wint. Vaststaat dat de auto uit de binnenstad verdwijnt. Ja, de auto gaat vallen – nu echt.

Goed nieuws, zou je zeggen. Eindelijk bevrijd van fijnstof en ongelukken. Eindelijk, na honderd jaar, kunnen kinderen straks weer spelen op straat. Misschien was dat hele autotijdperk sowieso wel een verschrikkelijke blunder, schreef het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker onlangs.

Foto Max Siedentopf

Ga maar na: alleen al in de VS zijn er sinds de introductie van de auto 3,6 miljoen verkeersdoden gevallen. Wereldwijd zullen dat er miljoenen meer zijn. Een constante ramp die we op de koop toe nemen. Achteraf gezien hadden de achterdochtige boeren die begin vorige eeuw met hooivorken tegen de auto streden gewoon een goed punt: het is ook een duivelsmachine.

Achteraf gezien was de angst die ik bij mijn eerste rijles voelde – en die ik nog steeds wel eens voel, namelijk dat één stuurfoutje het einde betekent – volkomen terecht. Mensen maken fouten. Rijles is een dure hersenspoeling die je verlost van de gezonde angst om met een blok staal van 1.000 kilo langs fietsers en spelende kinderen te sjezen.

Pleng dus vooral geen tranen als de auto de stad uit wordt gepest. Maar de vraag is nu wat we ervoor terugkrijgen. Of we de hooivorken alvast uit de schuur moeten halen voor de opvolger.

Ik wil helemaal klaar zijn voor de toekomst, dus maakte ik laatst een ritje in een Lev, een elektrische brommobiel (zoefmobiel, dus eigenlijk ). Een soort vissenkom op wieltjes. Ik wilde ermee over de Erasmusbrug in Rotterdam. Nu mogen die Lev-karretjes van de wet niet op het fietspad, ze moeten tussen het gewone autoverkeer. Alleen, ze kunnen niet harder dan 45 km/uur. Steeds had ik handtastelijke Audi’s en Porsche suv’s in m’n nek. En als ik dan op een turboknopje drukte (‘boost’), jakkerde ik juist over de weg, alsof ik Parijs-Dakar deed in een golfcart.

De versnellingspook had de grootte van een lucifer, met twee opties (achteruit-vooruit). Dat doet iets met je ziel. En de teller stond na een half uur op 14 euro. Taxiprijzen, terwijl je zelf stuurt. En dat voor een vernederend ritje dat ik normaal gesproken fier op mijn fiets zou hebben afgelegd.

Kortom, niks voor mij. Maar voor wie wel, vroeg ik me af? Geloof me, ik heb verder niets tegen nieuwe techniek. En ik hoef ook niet per se een patserbolide. Afgelopen zomer bijvoorbeeld heb ik gelukzalig op zo’n fragiel e-stepje door Parijs gezwierd. Soeverein rechtop voel je je tegelijk kind en koning en je ziet de stad letterlijk anders. Maar ja, ik bewaar ook romantische herinneringen aan botsautootjes op de kermis, die presenteer ik ook niet als oplossing van een stedelijk mobiliteitsprobleem.

Er zijn nog veel meer problemen met die rollende elektronica. En dan heb ik het niet over kinderzieken of kleinigheden. Het belangrijkste argument om al die elektronica in de stad los te laten – het klimaat – hapert flink. Er komt geen rookpluimpje uit die e-steppen en e-scooters, maar ze gebruiken natuurlijk wel gewoon energie, die – niet schrikken – met kolen wordt opgewekt. Je verplaatst de rook. Ze zijn iets schoner dan een auto, maar laten ze nu juist vooral ritjes afsnoepen die normaal fietsend of lopend gedaan zouden zijn. Dus ze zijn per saldo viezer.

Die hele deelindustrie brengt een wegsmijtmentaliteit met zich mee waar we juist vanaf wilden.

En dan gaan die steppen ook nog eens ongelofelijk gauw stuk, gemiddeld na 28 dagen, las ik op het Rotterdamse onlineplatform Vers Beton. Gebruikers gaan er ruw mee om. Vandalen smijten ze voor de lol in de rivier. Asogedrag zonder consequenties. Zelfs voor de fabrikant, want die stepjes worden voor een habbekrats gemaakt in China.

Die deelindustrie ondermijnt juist de nobele kunst van je spullen koesteren en onderhouden. En ondermijnt de fantastische uitvinding genaamd fiets, die bijvoorbeeld een oplossing is voor het fileprobleem, zoals Thalia Verkade in De Correspondent schreef. En waarom zou de auto per se een gemotoriseerde troonopvolger moeten hebben? Want het wrange is dat we in Nederland voor die zogeheten ‘micromobiliteit’ al een perfect systeem hadden. Dat nu onder druk komt. Zoals het Amerikaanse tijdschrift Time schreef: „Cyclists and E-Scooters Are Clashing in the Battle for Europe’s Streets”.

De hele wereld roemt Amsterdam als ‘bicycle capital of the world’. En we hebben ook hippe elektrische voertuigen, namelijk trams, metro’s en treinen.

Die hele deelindustrie brengt dus een wegsmijtmentaliteit met zich mee waar we juist vanaf wilden. Maar dat is niet eens het ergste, merkte ik toen ik in mijn Lev de Erasmusbrug overstak. Want eenmaal veilig en opgelucht aan de andere kant van de Maas bleek ik niet te kunnen parkeren bij mijn bestemming Afrikaanderplein. Die viel buiten de ‘Thuis Zone’ van de app. Bijna heel Rotterdam-Zuid viel trouwens buiten de app. Alsof het een no-goarea is.

Foto Max Siedentopf

Laten we hier niet te min over denken. Lev is onderdeel van een Amerikaans bedrijf. Dat uiteindelijk bepaalt wat het speelveld van de karretjes is. Welke inwoners ervan kunnen profiteren en welke niet. Als gebruiker heb je daar geen controle over.

En zo werkte het niet alleen bij Lev, zo ontdekte ik later. Want ik had nog vijf apps op m’n telefoon gezet, een hele vloot aan e-scooters en e-steppen en e-fietsen, met namen als Go Bike en Felyx of Jump by Uber. Vijf van de zes wilden niet naar Rotterdam-Zuid. Sorry, verkeerde kant van de rivier. Alleen van de Deense verhuurder Donkey Republic mocht ik de brug oversteken (maar dat was de verhuurder van een gewone trapfiets).

Logisch, zou je zeggen, dat de karretjes vooral in het drukke centrum staan. Maar het gekke: rustige, verder van het centrum gelegen duurdere wijken als Hillegersberg en Kralingen worden vaak wél bediend. Het zeer dichtbevolkte, nabije maar armere Feijenoord valt steeds buiten de boot. Die apps bevorderen zo niet de mobiliteit, maar vergroten de kloof.

Het belangrijkste aspect van de auto was nu juist – het woord zegt het al – autonomie. Bewegingsvrijheid. Precies dat lever je in als je je laat vervoeren met apps die bepalen waar je mag gaan. En precies dat – vervoer via een app – is de toekomst.

Over tien, twintig jaar hebben we geen auto maar een app waarmee we een zelfrijdend elektrisch deelkarretje oproepen, een identiteitsloze cocon die ons van A naar B zoeft in een eindeloze stroom identieke, even hard zoevende deelkarretjes. De auto wordt zo een soort mengvorm van auto en trein, voorspelde de Amerikaanse autobobo Bob Lutz een paar jaar geleden in Automotive News. Je geeft niet alleen het stuur uit handen, ook de kaart is niet meer van jou. En de dienstregeling. Simpel voorbeeld: die Lev-wagentjes stoppen na elf uur ’s avonds.

Ik was bang voor autorijden. Maar een paar jaar genoot ik er echt van: toen ik in de VS woonde. De wegen waren leeg, breed, eindeloos. De autocommer- cials bleken te kloppen, er bestond vrijheid op de weg. Als herinnering hangen aan mijn muur foto’s van de Amerikaanse fotograaf Matthew Porter. Hij fotografeerde grote Amerikaanse bakken zwevend in de lucht tegen ondergaande zonnen. De avondschemering van de automobiel. De foto’s voeren je naar een Californische glorietijd toen auto’s sleeën waren met vleugels en staartvinnen, het was de tijd dat auto’s konden vliegen. En de sleeën droegen namen van dromen. Buick Riviera. Cadillac El Dorado. Oldsmobile Starfire. Nu hebben we Jump. Scoot. Skip. Circ. Bird. Lime. Zo heten de apps voor e-steppen. Inwisselbaar als de steppen zelf.

Bekruipt je dan niet het gevoel dat we meer dan de benzinemotor verliezen als we de auto inleveren? Denk eens aan je eerste auto. Of de eerste vakantie waarin je zelf reed. Auto is een ander woord voor vrijheid. En die vliegende auto’s van Porter zijn misschien trucage maar de vrijheid is echt. Met een auto kun je overal heen, zonder app die je zegt dat je uit de ‘Thuis Zone’ bent gereden of dat de avondklok ingaat. Spontaan naar Parijs? Computer says no.

Trap er dus niet in. Die hippe deeleconomie maakt ons passief in plaats van vrij. Zo gooien we het enige goede van de auto – de vrijheid – met het badwater weg.

Koester die vrijheid, verdedig haar desnoods met hooivorken. Hoe? Door je eigen fiets te omarmen in plaats van die weggooielektronica. Anders is het straks een start-up uit Silicon Valley of een slimmerik in China die bepaalt of Rotterdam-Zuid bestaat.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.