Zo dronken en toch een briljant woordkunstenaar

Redacteur Margot Poll signaleert welke boeken er ook nog zijn verschenen en kiest er steeds zes om kort te bespreken. Deze week over wandelen in Andalusië, de geschiedenis van de opera en Isa Hoes’ ‘troostgedichten’.

1. Menno Kalmann: Michael

Menno Kalmann schreef een indrukwekkend en betrokken familieportret van de Joodse familie Kalmann die in 1934 vanuit Duitsland naar Nederland vluchtte en in Hilversum terechtkwam. De tweede zoon, Herbert, leerde Ursula kennen die met haar vader, de Duitse schrijver Georg Hermann, met hulp van diens uitgever Emanuel Querido al in Nederland woonde. Ursula raakte zwanger en ze besloten hals over kop te trouwen. Omdat het ook in Nederland te gevaarlijk werd, vluchtte de familie Kalmann opnieuw, nu via Frankrijk naar Zwitserland, maar Ursula bleef met baby Michael bij haar vader. In de op waarheid gebaseerde roman Michael volgen we zowel de vlucht van de familie Kalmann als de deportatie van Ursula en de tweejarige Michael naar kamp Westerbork. Omdat Michael met vlektyfus in de quarantainebarak kwam te liggen, werden zij niet op transport naar Auschwitz gezet. Ursula heeft in Westerbork een echtscheidingsakte (‘man heeft kwaadwillig gezin verlaten’) laten opstellen terwijl Herbert vanuit Zwitserland pogingen doet zijn vrouw en kind op de ‘Palestina-lijst’ te krijgen om ‘uitgeruild’ te worden met Duitse krijgsgevangenen. Na de oorlog gaan zij niet op zoek naar elkaar; Herbert hertrouwt en krijgt nog vier kinderen (van wie schrijver Menno de derde is) en Ursula hertrouwt, krijgt nog een zoon en woont in Israël in een kibboets – het is uiteindelijk Michael die vragen stelt en niet wil geloven dat zijn vader in de oorlog is omgekomen. Kalmann reisde naar Zwitserland, Frankrijk, Israël en Engeland om dit aangrijpende verhaal te kunnen vertellen.

Menno Kalmann: Michael. De Blauwe Tijger, 468 blz. € 32,-

2. René Daumal: Het drinkgelag, een trilogie van de dorst

‘Ik weiger te geloven dat een heldere gedachte niet onder woorden zou kunnen worden gebracht’, schrijft de Franse schrijver René Daumal (1908-1944) in het voorwoord van Het drinkgelag, een trilogie van de dorst (1939). Vervolgens begint de dronken taalwaterval van de ik-persoon die ‘een grote redevoering over de macht van woorden’ belooft te gaan houden voor een paar kameraden (‘We wisten niet meer of we met z’n tienen waren of met duizenden. In ieder geval waren we alleen.’) Het is een duizelingwekkende, gefabuleerde, ironische reis door één nacht waarin de ik-persoon zich eerst in een rokerige zaaltje of opslaghok bevindt, dan door een soort psychiatrisch ziekenhuis wordt rondgeleid door een ziekenbroeder en uiteindelijk plompverloren op een hoopje stro op een zolder zijn roes uitslaapt. Dat klinkt misschien als een neurotische dronkenschap maar zo is het niet; het gaat om het spelen met zinnen, met woorden, de hilarische gedachtespinsels waarmee dit drinkgelag omzoomd wordt. Dat waardig te vertalen zal geen sine cure zijn geweest. Of, zoals vertaler Maarten Elzinga in zijn nawoord het verwoordt: ‘Verschillende van mijn collega’s hadden volgens de uitgever beleefd bedankt voor dit speciale aanbod’.

René Daumal: Het drinkgelag. Een trilogie van de dorst. Oorspronkelijke titel: La Grande Beuverie. Vertaald uit het Frans en van een nawoord voorzien door Maarten Elzinga. Vleugels, 157 blz. € 23,95

3. John Steinbeck: De parel

De Amerikaanse schrijver en Nobelprijs-winnaar (1962) John Steinbeck (1902-1968) baseerde De parel (1947) op een Mexicaans volksverhaal over de arme parelvisser Kino die een grote parel vindt die zijn leven zou kunnen veranderen. Geld voor de dokter die zijn zoon moet genezen, geld voor zijn zoon om later onderwijs te kunnen volgen en geld voor zijn eigen welzijn. Het loopt anders en te laat besluit Kino de parel terug te werpen in zee. De vertaling van deze nieuwe uitgave is nog steeds die uit 1949 van E.D. Veltman-Boissevain (1914-1998) en is geïllustreerd door beeldend kunstenaar Charlotte Schrameijer die collages maakte van ‘knipsels’ uit zwart papier op een witte achtergrond.

John Steinbeck: De parel. The Pearl (1947). Vertaald uit het Engels door (1949) E.D. Veltman-Boissevain. Illustraties Charlotte Schrameijer. Athenaeum, 108 blz €9,99

4. Juan Goytisolo: De contreien van Níjar

Eind jaren vijftig van de vorige eeuw ging de Spaanse schrijver Juan Goytisolo (1931-2017) op pad door het diepe zuiden van Andalusië, wat nu Natuurpark Cabo de Gata is. Hij wandelt op goed geluk – zo lijkt het – zwemt in de zee om af te koelen, slaapt uit waardoor hij bussen mist, springt achterop wagens als iemand bereid is hem mee te nemen en loopt op met wie hij tegenkomt. In De contreien van Níjar komen al die personen tot leven; soms door een enkele zin dan weer in een roerende conversatie zoals met de oude vijgenverkoper. Het landschap van Almería wordt minutieus in kaart gebracht en is net als ‘de bergen (die) liggen tussen de vlakte en de zee als gigantische slapende beesten en ze ommuren de horizon met hun hoge nekken, hun ronde billen en hun volle, gladde flanken’ ruim vijftig jaar later nauwelijks veranderd. Er waren toen bijna geen toeristen, op misschien die verdwaalde Parijzenaar met autopech of het Zweeds echtpaar bij de vuurtoren na. Nu is zowel Níjar als het natuurpark een toeristische trekpleister waar ook ecotoerisme zijn intrede heeft gedaan. Toch zou je iedereen aanraden eerst dit innemende reisverslag te lezen over hoe de mensen in deze streek de dictatuur van Franco overleefden. Ook Goytisolo kon door het regime niet vrij publiceren en heeft het boek met grote omzichtigheid geschreven om ‘de valkuilen van de censuur te ontlopen’, vertelde hij later in een interview. Toch geeft hij bedekt commentaar door overal de Guardia Civil met ‘de karabijn aan de schouderriem’ op te laten duiken als verstoorders van het leven of direct commentaar te uiten en samen met de bewoners de machthebbers aan te klagen voor de verwaarlozing van Zuid-Spanje.

Juan Goytisolo: De contreien van Níjar. Een reis in het Andalusië van de jaren vijftig. Vertaald uit het Spaans en van een inleiding voorzien door Keimpe Reitsma. Uitgeverij A.A. Hoogteiling, 126 blz. € 18,-

5. Benjamin Rous: Opera

Aan de hand van 27 ‘sleutelwerken’ schetst archeoloog en operakenner Benjamin Rous in Opera de geschiedenis van de opera. Van het dramatische L’Orfeo (1607) van Claudio Monteverdi dat de basis legt ‘voor bijna alles wat in de operageschiedenis zou volgen’ tot de vocale contemplatieve opera Dialogues des Carmélites (1957) van Francis Poulenc. Voor Rous was de finale van deze opera, zowel wat betreft muziek als enscenering, één van de indringendste ervaringen van zijn leven. Ook beschrijft hij het vernieuwende karakter van de besproken opera’s; zo brak Georges Bizet met Carmen (1875), in mei bij de Nederlandse Opera in Amsterdam te zien, met alle Opera-Comiques conventies, door een amoreel verhaal vol seks en geweld te vertellen dat door de theaterdirectie gecensureerd moest worden. Volgens Rous een goede opera voor beginners én gevorderden: ‘Carmen bekoort direct, maar blijft ook daarna fascineren’. In het boek staat ter begeleiding een afspeellijst op Spotify.

Benjamin Rous: Opera. Een geschiedenis in 27 sleutelwerken. Van Oorschot, 336 blz. € 25,-

6. Isa Hoes: Zo heel je mij

‘Het leven spaart niemand en iedereen heeft wel eens wat meegemaakt waarbij je wat steun kunt gebruiken. Troost is er in vele vormen en maten en ik heb gepoogd daar een kleine bijdrage aan te doen’, aldus schrijfster en actrice Isa Hoes in de inleiding van de door haar samengestelde bundel ‘troostgedichten’. In Zo heel je mij, naar het gelijknamige gedicht van Bart Moeyaert – (…) Jij kent de kunst/van nu en hier./Vandaar dat ik je/leen, nee spaar,/of beter nog: bewaar. – staan bijna tachtig gedichten; sommige met raad om je verdriet van je af te gooien of het door de ‘troostvogel’ mee te laten nemen, weer andere zijn een verheerlijking van of een herinnering aan een geliefde. Ter afwisseling van de intensere liefdesgedichten koos Hoes ook lichte, of vrolijke gedichten zoals ‘De pinguïn en de papegaai’ van Erik van Os:

Dag papegaai, zei de pinguïn.
Dag papegaai, zei de papegaai.
Nee, zei de pinguïn, jij moet dag pinguïn zeggen.
Nee, zei de papegaai, jij moet dag pinguïn zeggen.
Nee, zei de pinguïn, ik ben een pinguïn.
Nee, zei de papegaai, ik ben een pinguïn.
Jij bent een papegaai, zei de pinguïn.
Jij bent een papegaai, zei de papegaai.
Stomme papegaai, zei de pinguïn.
Stomme pinguïn, zei de papegaai.

Want, stelde Hoes in een interview naar aanleiding van deze bundel: ‘Voor mij is het ook heel troostend om te kunnen lachen.’

Isa Hoes (samenst.): Zo heel je mij. Troostgedichten. Prometheus, 112 blz. € 15,-