Interview

Sven Roes moet je hard aanpakken, boos maken, een beetje kleineren

Shorttrack Sven Roes (20) werd begin januari verrassend Nederlands kampioen en ontving een uitnodiging voor de EK, dit weekeinde in Hongarije.

In de catacomben van Thialf stond Sven Roes tot voor kort bekend als aanstormend talent. In de shorttrackwereld kende iedereen hem, maar nu ook iedereen daarbuiten. Bij een tafeltennistafel vlakbij het krachthonk in het ijsstadion staat een groepje schaatsers te dollen. „Daar hebben we onze Nederlands kampioen”, roept een van hen. Roes kijkt ze aan, lacht en richt zijn blik weer naar de grond. „Normaal ga ik erop in”, zegt hij. „Dan roep ik ‘hou toch op’. Maar het maakt me niet zoveel uit. Het is niet zo erg om ermee geplaagd te worden. Ik ben er trots op.”

Tijdens het eerste weekend van januari reed hij bij de NK shorttrack in Leeuwarden een fenomenale race op de 1.500 meter. Op de 1.000 meter werd hij tweede, op de 500 meter eindigde hij naast het podium. Niet veel later op de dag reed hij in de superfinale naar een tweede plaats en kroonde zich daarmee verrassend voor het eerst tot Nederlands kampioen bij de senioren.

De pas 20-jarige shorttracker keek de dag na de nationale kampioenschappen zijn wedstrijden terug bij de NOS. „Eerst met mijn ouders, maar daarna nog heel vaak alleen. Het commentaar erbij vind ik prachtig om te horen. Jeroen Otter [bondscoach van de Nederlandse shorttrackers] zei zelfs dat ik tactisch schaatsles had gegeven, dat kun je wel in je zak steken.”

Otter nam hem twee dagen na zijn gouden medaille op in de selectie voor de EK shorttrack, die van vrijdag tot en met zondag wordt verreden in de Hongaarse stad Debrecen. Ten koste van Sjinkie Knegt, die nog niet fit genoeg is nadat hij vorig jaar ernstige brandwonden had opgelopen bij het opstoken van een kachel. Roes werd door de bondscoach aangewezen als zijn vervanger in de relayploeg, een teamonderdeel waarbij shorttrackers elkaar aflossen tijdens de race.

„Natuurlijk is het best wel vet om daar aan de start te staan”, zegt hij in een vergaderruimte met uitzicht op de ijsbaan in Heerenveen. „Ik heb nog nooit zulke grote wedstrijden gereden, alleen maar een WK junioren vorig jaar.” Naast hem zijn coach Dave Versteeg. Roes zit niet bij de Nationale Trainingsselectie Shorttrack (NTS), maar traint nog bij een regionaal trainingscentrum onder Versteeg.

Aan het begin van dit seizoen werd Roes uitgenodigd mee te trainen met de NTS, maar zijn coach stak daar een stokje voor. „Hij was er nog niet klaar voor, vooral technisch niet. Bij de NTS wordt veel harder getraind, vooral op intensiteit geramd en minder met techniek gedaan. Wij zijn vooral bezig met techniek.”

Het bleek een goede ingeving. Pas in november vorig jaar ging hij goed rijden en verbeterde zijn techniek met sprongen. „Het had tijd nodig”, zegt Versteeg. „Als hij nu bij de NTS had gezeten, was hij geen Nederlands kampioen geworden.”

Toen vond Roes dat onzin – „ik wilde met de grote mannen meetrainen”. „Maar als ik achteraf hoor waarom hij me hier heeft gehouden, dan ben ik daar blij mee. Soms weet je, als je zo jong bent als ik, niet wat het beste voor jezelf is. Nu denk ik ook dat ik er nog niet klaar voor was, hoe graag ik dat ook wilde.”

Waarom niet?

„Vorig jaar had ik veel zenuwen voor wedstrijden en gaf ik mijn materiaal de schuld als het niet lukte. Het afgelopen jaar ben ik mentaal sterker geworden. Het lag niet meer aan mijn materiaal, terwijl ik vorig jaar wel vaak naar Dave ging om te vragen of hij mijn ijzers even wilde checken. Dat deed ik dan een aantal dagen voor de wedstrijd. Nu heb ik dat een stuk minder.”

Het lag niet aan je materiaal?

„Nee, het grootste gedeelte zat in mijn hoofd. Ik had minder zelfvertrouwen dan nu. Ik zocht dan een verklaring waarom het niet ging zoals ik wilde en keek meteen naar mijn schaatsen. Dat lag buiten mezelf. Als ik naar Dave ging met mijn schaatsen, wist ik zelf ook wel dat er niets mis mee was. Maar het gaf me zekerheid.”

Versteeg: „Sommige shorttrackers kunnen onder druk opeens niet meer schaatsen en de volgende dag juist weer hard. Dat heeft niets te maken met je materiaal of je fysiek. Dat is gewoon omdat op dat moment bepaalde dingen in je hoofd niet lekker lopen. Inmiddels kennen Sven en ik elkaar goed en weet ik hoe ik hem moet raken zodat hij weer zichzelf kan worden.”

Hoe doe je dat, hem raken?

„Ik moet Sven hard aanpakken, een schop onder zijn reet geven. Je moet hem triggeren, boos maken, een beetje kleineren. Dan komt hij sterker terug. Dan wil hij laten zien dat hij het wél kan.”

Waarom moet je eerst boos worden, Sven?

„Vooral als ik in een dipje zit, om daar uit te komen. Een voorbeeld, vorig jaar bij de WK junioren ging het helemaal niet lekker. Ik vroeg Dave of hij weer naar mijn materiaal wilde kijken. Maar toen zei hij dat als ik niet beter ging rijden, hij me beter thuis had kunnen laten. Man, man, man, dat raakte me wel. Daarna reed ik opeens veel beter.”

Je hebt die boosheid nodig.

„Nu steeds minder. Ik doe yoga en dat helpt me heel erg om mijn rust te bewaren en in mijn focus te komen. En als ik goed train voor een toernooi geeft dat veel zelfvertrouwen, dan weet ik ook dat ik geen fratsen krijg met mijn materiaal en heb ik die boosheid niet nodig. Ik voel me goed over de EK. Het is spannend, dat wel. Maar mijn materiaal laat me niet meer in de steek.”