Jimmy Rosenberg krijgt een gitaar te leen van gitaarfabrikant Eastman in The Fellowship of Acoustics in Dedemsvaart

Eric Brinkhorst

Interview

Jimmy Rosenberg: ‘Ik ben al blij als ik een gitaar mag lenen’

Gipsy Jazz Als tiener gold gitarist Jimmy Rosenberg als de grootste belofte van de gipsy jazz, de enige die Django Reinhardt kon opvolgen. Hij kon de druk niet aan en raakte verslaafd. Nu is hij op de weg terug. Voor zijn eerste grote optreden in elf jaar repeteert hij met een bouwvakkersradio.

Alsof hij zo deftig mogelijk een kopje thee drinkt: zo speelt Jimmy Rosenberg (39) gitaar. Kijk maar hoe hij de pink, middel- en ringvinger van zijn rechterhand elegant gestrekt houdt. Zijn wijsvinger en duim houden ondertussen stevig een absurd dik plectrum beet waarmee hij met een angstaanjagende kracht op de snaren slaat, terwijl de vingers van zijn linkerhand over de gitaarhals racen alsof ze moeten rennen voor hun leven.

De klanten en het personeel van gitaarwinkel The Fellowship of Acoustics weten niet wat ze zien. Deze zaterdagmiddag speelt er een levende legende in het oude landhuis in Dedemsvaart dat tot de nok toe is gevuld met instrumenten. En ze weten vooral niet wat ze horen: een krankzinnig shock and awe-bombardement van virtuoze improvisaties waarin onnavolgbare gitaarloopjes knallen als mitrailleurschoten.

Dit is de held van de gipsy-jazz, die ooit werd benoemd tot ‘beste gitarist ter wereld’, in een uitverkocht Carnegie Hall optrad voor wereldsterren als Michael Jackson, Robert De Niro en Eric Clapton, en als tiener gold als de beoogde troonopvolger van de Mythische En Nimmer Onopvolgbare Gitaargod Django Reinhardt (1910-1953). Als iemand dat kon, was het Jimmy.

Maar helaas.

Jimmy Rosenberg is ook de man die alles verloor, zijn talent vergooide, zijn kapitaal verbraste en dankzij talloze verslavingen van crisisopvang naar afkickkliniek sukkelde. Die op- en ondergang werd in 2007 weergaloos vastgelegd door Jeroen Berkvens in zijn met een Gouden Kalf bekroonde documentaire De vader, de zoon & het talent. „Ik heb die film nooit helemaal afgekeken”, zegt Rosenberg. „Ik ben een gevoelige jongen. Dat kan ik niet aan.”

Lees ook recensie De vader, de zoon & het talent

Hersenbloedingen

Na de film leek het even beter te gaan, maar vanaf 2009 bleef het opnieuw stil. Jimmy raakte weer verslaafd, verbleef in verschillende instellingen en balanceerde op het randje van de dood. „Ik heb twee hersenbloedingen gehad, één herseninfarct, twee hartaanvallen, één hartstilstand”, somt hij op. „Ik ben door een hel gegaan.”

Het absolute dieptepunt bereikte hij anderhalf jaar geleden, toen zijn zestienjarige zoon (een van zijn vier kinderen – hij heeft ook al twee kleinkinderen) plotseling overleed. „Toen ik dat levenloze lichaam in de kist zag liggen, draaide ik helemaal door. Dezelfde dag stierven mijn moeder en schoonvader. Ik was één hoop ellende. Bijna anderhalf jaar heb ik in bed gelegen. Zodra ik wakker werd, pakte ik pillen om weer te kunnen slapen.”

Het mag dus gerust een wonder heten dat Jimmy in dit Overijsselse gitaarwalhalla als vanouds een spervuur aan razendsnelle noten uit zijn vingers tovert. Hij komt een gitaar uitzoeken, maar om goed te kunnen kiezen, moet hij eerst spelen. Reparateur Don Hofstee is uit de werkplaats opgetrommeld als ritmegitarist. „Dit moet even inzinken”, jubelt hij. „Hoe vaak krijg je nou de kans om met De Meester te spelen?”

„Het begint hier naar zweet te ruiken”, constateert Arnoud van den Berg tevreden plukkend aan zijn contrabas. Hij is naar Dedemsvaart afgereisd om te kijken hoe het met Jimmy gaat. Samen met de Britse gipsy-jazzgitarist Robin Nolan, in wiens gelijknamige trio hij speelt, organiseert hij namelijk het festival Django Amsterdam, aankomend weekend in het Bimhuis. Jimmy is daar vrijdagavond de hoofdact. Het is de eerste grote show sinds elf jaar die zomaar De Grote Comeback kan inluiden.

Jimmy Rosenberg krijgt een gitaar te leen van gitaarfabrikant Eastman in The Fellowship of Acoustics in Dedemsvaart

Eric Brinkhorst

Boezemvriend

Dat is allemaal te danken aan een kale man met een zwart Nike-petje op, die „Go Jimmy!” roept en tegelijkertijd het middagoptreden livestreamt op Facebook. Johan Peeters (39) is behalve begeleider, chauffeur en manager ook boezemvriend. „Toen niemand Jimmy zag staan, was ik er voor hem. Hij zat daar maar, eenzaam in zijn kamertje. Ik heb hem eruit getrokken en onder de mensen gebracht.” Jimmy: „Hij is mijn anker, mijn bloedbroeder. Ik ben hem eeuwig dankbaar.” Johan: „Ik ben eigenlijk alles tegelijk, en doe dit naast mijn gewone werk als stratenmaker. Sommige mensen denken dat ik er een slaatje uit wil slaan, maar ik doe dit uit liefde voor Jimmy. Ik wil dat het weer goed met hem gaat, dat hij komt waar hij moet zijn.” Jimmy: „Zonder Johan was ik knettergek geworden. Sterker nog: dan was ik dood geweest. Hij heeft me weer een uitzicht op een toekomst gegeven.”

Het ontbrak alleen nog aan één ding: een goede gitaar. Daarom probeert Jimmy er nu zoveel mogelijk uit. „Ah, een mooie Busato”, zegt een van de verkopers over een klassiek model uit 1943 à 7.500 euro. Jimmy: „Ik vind alles goed, als het maar geen Marco Borsato is.” Even later, als hij terugkomt van het toilet waar ter decoratie met verf besmeurde gitaren hangen: „Daarop zou ik het ook prima kunnen.” Welke hij gaat nemen, blijft lang onduidelijk. Eerst probeert hij: „Een akoestische en een elektrische zou heel fijn zijn.” Meteen daarop: „Ik ben allang blij als ik er eentje mag lenen.” Pas dan wordt hem duidelijk wat de bedoeling is: hij mag een van de drie Eastman-gitaren (à 1.250 euro) uitkiezen als sponsordeal: om te houden dus. „Ik ben dolblij”, reageert hij. „Dit is een feestdag.”

Op weg naar de uitgang geeft hij nog een spoedcursus gipsy-gitaar aan een van de medewerkers, maar eist óók een lesje retour. De jongen, trillend: „Maar ik kan niks!” Jimmy: „We kunnen van elkander leren! Muziek is net als het heelal waarin alle sterren op elkaar schijnen zodat ze samen kunnen schitteren.”

Dan is het echt tijd om te gaan. „We moeten nog 177 kilometer rijden, maar het was het waard”, zegt Jimmy als hij in de auto stapt. Nog voordat de motor loopt, hebben hij en Johan hun eerste sigaret opgestoken. Eenmaal op de A28 haalt hij herinneringen op aan zijn eerste instrument. „Zelfs de geur van het hout was heerlijk. Ik nam mijn gitaar mee naar bed, in plaats van een teddybeer, zo gek was ik erop. Toen ik vier was, leerde oma me de eerste akkoorden. Hoe meer je leert, hoe hebberiger je wordt. Op mijn zesde speelde ik al platen na van Django Reinhardt. Op den duur kreeg ik het gevoel: die nek ken ik nu wel.”

Maar hij voelde ook meteen een enorme druk. „Ik werd constant gedwongen om perfect te spelen. Presteren, presteren, presteren. Bij elk goed nummer zette mijn vader een kruisje. Maar bij iedere fout sloeg hij met de takken van onze druivenstruik op mijn handen. Zie je dit?” Hij steekt zijn linker wijsvinger op en wijst naar een diep litteken. „Toen wou ik mijn vinger eraf snijden, zodat ik nooit meer hoefde te spelen.”

Hij zucht: „Ik heb een heel zware jeugd gehad.” Johan: „Eigenlijk: geen jeugd.”

Jimmy: „Ik groeide op tussen volwassenen. Wij woonden recht tegenover de kleuterschool. Ik vroeg mijn vader: Wat doen die jongetjes met die rugtasjes daar?’ Hij zei: ‘Die ontwikkelen hun talent zodat ze later succesvol zakenman kunnen worden.’ Ik zei: ‘Dat wil ik ook!’ ‘Nee’, antwoordde hij: ‘Dat hoeft niet: jij hebt al een talent.’ Pas toen ik zijn autolampen had vernield, mocht ik gaan. Ik leerde: boom, roos, vis, vuur, mus, pim. Maar het duurde nog geen twee weken.”

Johan: „Jimmy kan niet lezen en schrijven. Heel veel zigeuners uit die tijd zijn analfabeet.” Jimmy: „Ik was altijd weg, op het podium, in het vliegtuig of in een hotel. Ik werd er gek van. Op achtjarige leeftijd kreeg ik zenuwtabletten van mijn moeder, dan werd ik rustig. Bij ons in de familie is dat normaal: iedereen pakt het van jongs af aan. De eerste cd van het Rosenberg Trio heet daarom ook Seresta [de oude naam van kalmeringsmiddel Oxazepam, red.]. Zo gaat dat als je bij ons wakker wordt: sigaretje, koffie, Serestaatje.”

Na een noodzakelijke pitstop bij de benzinepomp („Ik heb zware shag nodig”) vervolgt hij: „Het ging verkeerd toen ik te veel geld kreeg. Op mijn achttiende was ik miljonair. Ken je die scene uit Home Alone op die schaatsbaan? Dat is 38th Street in New York. Daar kocht ik een penthouse. Ik woonde er, maar kende maar twee straten. Want waar wou Jimmy heen? Naar Helmond. Door de heimwee heb ik het met miljoenen verlies verkocht.” Johan: „Na een megadeal met Sony heeft hij miljoenen uit Amerika meegenomen. In cash. Want, zei hij: ‘Zigeuners hebben geen bankrekening.’ Dat geld ging in koffers.”

Jimmy: „Toen ik in Nederland landde en de grond kuste, ben ik in de hel beland. Mijn vader zat in de gevangenis. Niemand lette op mij. Op een afterparty van James Brown was ik verslaafd geraakt aan cocaïne. Daarna gebruikte ik amfetamine, lsd, xtc, mdma, ketamine, alles. De eerste keer heroïne voelde als een warme deken. Ik voelde me veilig. Maar je raakt er maar tien keer stoned van. Daarna heb je enkel nog pijn, en die verdwijnt alleen door… heroïne.”

Opeens opgewekt: „Maar dat is allemaal voorbij. Ik moet nu alleen nog van de methadon af.” Johan: „Het laatste jaar heeft Jimmy flinke stappen gemaakt.” Jimmy: „Ik krijg nog maar drie tabletjes, in plaats van zesendertig. Ik wil weg uit die kliniek. Mijn zoontje zei: ‘Papa, ik kan er niet tegen om je hier te zien.’ Ik wil een eigen dak boven mijn hoofd.” Johan: „Daar zijn we mee bezig.”

Gettoblaster

Na 177 kilometer is Jimmy weer terug in Helmond. Tevreden ploft hij neer op het bankstel in Johans bovenwoning. Terwijl hij zijn nieuwe gitaar stemt, vist Johan een enorme gettoblaster uit zijn werkspullen, plugt zijn telefoon in en gaat op zoek naar YouTube-video’s met de woorden ‘backing track gipsy jazz’ in de omschrijving. Zodra de karakteristieke strijkende akkoorden uit de speakers knallen – standje elf – begint Jimmy te ratelen. „Stop”, roept hij. „Veel te langzaam! Speel maar af op 125 procent snelheid.”

Zo repeteren ze de laatste maanden: met digitale begeleiding uit een bouwvakkersradio. Bij die onorthodoxe methode horen ook hindernissen. Als Jimmy net lekker op dreef is, klinkt er opeens keihard: „BEN JIJ HET OOK ZO ZAT OM MET BOODSCHAPPEN TE ZEULEN?” Het blijkt een onuitroeibare supermarktreclame te zijn die telkens na drie video’s terugkeert. Vervolgens begint de vriendin van Johan (en nichtje van Jimmy) onophoudelijk te bellen. „Weer dat kippetje?” vraagt Jimmy als de ringtone voor de zoveelste keer ‘Django’s Tiger (210 bpm)’ onderbreekt. „Ik zou gek worden, man.”

Johans neef Gerry komt binnen, met een tray halve liters bier onder de arm en joint in zijn mondhoek. Behalve complimenten („Da’s een mooi gitaarke pik!”) heeft hij een verzoeknummer: „Wil je The Godfather spelen, net als op de begrafenis van onze oma. Jongen, dan krijg ik overal kippenvel.” Jimmy, grijnzend: „Pas maar op: straks krijg je nog veren.”

Zodra de bijbehorende YouTube-video is gevonden, schalt de beroemde filmtune door de bovenwoning. Nog een uurtje spelen, dan zal Johan Jimmy weer terugbrengen naar de kliniek.

Django Amsterdam, 24, 25 en 26/1 in het Bimhuis, Amsterdam. Concert van Jimmy Rosenberg op 24/1. Inl. bimhuis.nl