Opinie

De trompet als redding

Frits Abrahams

Soms heb je zoveel over een bepaald boek gehoord dat je er niet meer nieuwsgierig naar bent en verzuimt het zelf te lezen. Mij is dat overkomen met het in 1979 gepubliceerde Trompettist in Auschwitz van Dick Walda. Het betreft de oorlogsherinneringen van de musicus Lex van Weren (1920-1996), die het vernietigingskamp Auschwitz kon overleven mede dankzij zijn trompet.

Er is bij uitgeverij Balans een uitgebreide herdruk verschenen van dit opmerkelijke boek. Een goed initiatief nu het op 27 januari 75 jaar geleden is dat het kamp Auschwitz werd bevrijd. Dit boek mag niet vergeten worden, ook al is het geen literair hoogstandje – zo is het vermoedelijk ook nooit bedoeld.

Verwacht geen diepgravende bespiegelingen en briljant verwoorde observaties; daar was Van Weren de man niet naar en tot dat niveau heeft Walda hem dan ook niet willen optillen. Walda volstaat met hem in de ik-vorm zo naturel mogelijk zijn verhaal te laten doen. Er staat geen woord te veel in dit boek – en dat is meteen de kracht ervan.

Van Weren was een Joodse jongen uit Amsterdam die niet wilde doorleren omdat hij veel liever met de muziek meeliep. Als trompettist maakte hij snel furore in de amusementswereld totdat de Tweede Wereldoorlog uitbrak en de Jodenvervolging begon. Hij werd in 1943 opgepakt mét zijn trompet in zijn rugzak. „Ik weet nu nog dat ik op dat moment aan die trompet dacht.”

Het zou uiteindelijk zijn redding worden. „Ik heb het geluk gehad dat ik – overal waar ik kwam – bijna altijd de enige trompettist was. Vanaf dat moment wist ik dat ik ervoor moest zorgen dat ik de trompet bij me hield, wat er ook zou gebeuren. De trompet maakte me een geval apart. Ik was niet langer een nummer. Ik was Musiker.”

In Westerbork, later ook in Auschwitz en Dachau – steeds kon hij dankzij zijn instrument zijn hachje redden. Er was altijd wel een of ander kamporkest dat hem nodig had. Het kwam voor dat ze moesten spelen tijdens de ophanging van gevangenen: een melodie uit La traviata. Ook zelf moest hij zware ontberingen doorstaan, vooral in een kolenmijn bij Auschwitz en tijdens de transporten naar de kampen.

Wat je in zijn boek steeds proeft, is de verbijstering over wat hij om zich heen ziet gebeuren. Over zijn aankomst in Auschwitz zegt hij: „Dat letterlijk alle Joden uitgeroeid moesten worden, kwam niet in mij op. (...) Ik zag die crematoria roken en tóch wilde ik het niet geloven.”

Eigenlijk heeft die verbijstering hem nooit meer verlaten. Na de oorlog was hij een ex-gevangene, die met zijn vrouw obsessief alle plekken nareisde van de hel waarin hij had verkeerd. „Ik wilde erachter komen hoe het mogelijk is geweest dat gewone mensen zoiets hebben aangericht.”

Tussen Van Weren en Walda, zijn biograaf, ontstond later verwijdering. Van Weren had voor Walda een interview geregeld met Albert Gemmeker, de commandant van Westerbork. Op die manier wilde Van Weren wraak nemen op Gemmeker. Maar Gemmeker eiste dat het interview pas na zijn dood gepubliceerd zou worden en Walda stemde daarin toe – tot grote verontwaardiging van Van Weren. De Volkskrant publiceerde het inderdaad pas ná het overlijden van Gemmeker.

Dit interview is nu aan het boek toegevoegd. Laatste woorden van Gemmeker: „Aber was kann ich dafür?