De nette hut van onkel Tom

Ewoud Sanders

Woordhoek

Vorige week ging het hier over hoe sommige mensen tegenwoordig reageren op politiek incorrecte woorden, zelfs als die in historische context worden gebruikt. Als voorbeeld noemde ik het woord negerhut, bekend dankzij het boek De negerhut van Oom Tom.

Verschillende lezers verbaasden zich over dat woord en vroegen wat er onder moet worden verstaan. Volgens de jongste Dikke van Dale betekent negerhut ‘hut van een neger’ – een nietszeggende en achterhaalde definitie. Er staat wel bij dat dit woord is verouderd en dat het bekend is geworden door de vertaling van het boek van Harriet Beecher Stowe.

Beecher Stowe omschrijft het woonhuis van oom Tom als volgt – en ik verontschuldig me bij voorbaat voor formuleringen die ons inmiddels onaangenaam in de oren klinken. „De hut van Oom Tom was een klein gebouwtje van balken en planken dicht bij het huis, zooals de neger zijns meesters woning bij uitnemendheid noemt. Er lag een net tuintje voor, waar elken zomer aardbeien, frambozen en andere vruchten en ook groenten, onder zorgvuldige aankweeking, welig tierden. De gevel was geheel bedekt met een roode bignonia en een inlandsche multiflora-roos...”

Ook binnen is het er goed toeven. Het is „een nette woning” met een haard. In de hoek staat „een ledikant netjes onder een sneeuwwitte sprei” met daarvoor een tapijt. Aan de wand hangen „eenige prenten uit de Schrift en een portret van generaal Washington”.

Waarom Uncle Tom’s Cabin, zoals Beecher Stowe haar boek in 1852 noemde, in het Nederlands is vertaald als De negerhut (1853) en De negerhut van Oom Tom (1854) is mij niet bekend. Kennelijk waren er toen ook al mensen die dat niet correct vonden, want concurrerende vertalingen verschenen onder de titels De hut van onkel Tom (Gent, 1852) en Een kijkje in de hut van oom Tom (1853).

Is negerhut een verzinsel van die eerste vertalers of werd het al langer in het Nederlands gebruikt?

Het woord negerhut komt voor sinds het midden van de achttiende eeuw. We vinden het bijvoorbeeld in een boek uit 1747 met beschrijvingen van reizen in onder meer Afrika. Daarin is bij herhaling sprake van „hutten der negeren”, „hutten der negers en negerhutten”. Er staat zelfs een afbeelding in: we zien een kleine hut gemaakt van rietstengels, takken en/of stro, zonder deur of raam.

In de decennia daarna wordt negerhut gebruikt voor „zeer primitief onderkomen” – hoewel de gemiddelde plaggenhut er een stuk primitiever uitzag. Meestal gaat het om teksten over plantages in Afrika of Suriname, maar in 1843 berichtte de Groninger Courant over „negerhutten” te Brussel.

De verslaggever bezocht daar een „onderaardsch straatje” bij de Rue des Trois-Têtes. „Het is bekend onder den naam van het Gat van St. Roch en bestaat uit twee rijen zoogenoemde negerhutten, welke tot schuilplaats dienen aan eene bevolking, geheel met lompen en met allerlei soort van ongedierte overdekt.”

De armoede was er met geen pen te beschrijven. „Men verbeelde zich eene soort van stinkende en rookerige uithollingen, bewoond door eene verfoeijelijke en uitgebleekte bevolking, vuile stroozakken, op welke zich personen van verschillende jaren en geslachten rondwentelen.”

Het is wellicht overbodig om dit op te merken, maar op geen enkele manier lijken deze Brusselse „negerhutten” op de nette cabin van oom Tom.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders