Opinie

Slob verwacht te veel van nieuwe lessen burgerschap

Politiek In een poging om radicalen in te dammen, worden strengere eisen gesteld aan burgerschapsonderwijs. Zo werkt dat niet, schrijft .
Illustratie Hajo

Wie de kranten van de afgelopen twaalf maanden naleest, ziet dat het slecht gaat met de jeugd. Hun schrijven, lezen en rekenen gaat meetbaar achteruit. Nederland daalt op de internationale lijstjes. Kinderen bewegen ook minder en komen minder buiten. Ze eten de verkeerde dingen en volgen de verkeerde sociale media. Ze geven weinig om democratie en weten niks van geschiedenis.

Er zijn allemaal serieuze rapporten van serieuze mensen over verschenen met als strekking: méér onderwijs. Wie de adviezen bij elkaar op telt ziet dat kinderen voor hun bestwil zo lang mogelijk uit handen van hun ouders gehouden moeten worden, in ieder geval tussen het tweede en zestiende levensjaar.

Het burgerschapsonderwijs maakt deel uit van dit proces. Wat we inmiddels al weer vergeten zijn is dat burgerschap op de agenda kwam na een christelijke interventie. Begin jaren negentig was het al eens op de sociaal-democratische agenda gezet door Jos de Beus, maar het hele onderwerp ‘burgerschap’ zakte direct weer weg in de Paarse jaren. Wat nou burgerschap, het ging om business! CDA-fractievoorzitter Enneüs Heerma werd in 1994 weggelachen toen hij erover begon in de Tweede Kamer.

Maar het tij keerde. De spanningen rond immigratie liepen op, net als ergernis over de liberale moraal van keuzevrijheid. Van consumenten en immigranten goede burgers maken: enter Jan Peter Balkenende. Hij zette burgerschap centraal in zijn beleid, de ChristenUnie (toen in de oppositie) was er ook altijd al voor, de PvdA stribbelde wat mee en de scholen kregen er in 2006 dus een taakje bij. Pieter Heerma (zoon van) kon – als een levende hoeksteen – dan ook in 2012 terecht constateren dat het parlement het lachen danig vergaan was inzake burgerschap.

Brengt burgerschap ons samen?

Tot zover de geschiedenis. Veeleisend was de burgerschapsonderwijswet van 2006 niet. Scholen mochten zelf weten hoe ze leerlingen bijbrachten dat meedoen aan de samenleving belangrijk is en wederzijds respect vraagt. Maar de teneur was wel: burgerschap brengt ons samen. Werkt dat ook zo?

Of je nu hoog of laag springt, burgerschap is een intellectueel onderwerp. Je emoties en intuïties zo ordenen dat je het er met anderen over kunt hebben doet vooral een beroep op de ratio. Studiebollen zullen er meer lol in hebben en er beter in zijn dan kinderen die met goede redenen een hekel aan boeken hebben. Daar helpt geen goedbedoeld lesprogramma aan. Meer burgerschap in het onderwijs verstevigt vermoedelijk de zogenaamde ‘diplomademocratie’ eerder, dan dat het deze verzwakt.

Bovendien moeten de eisen aan wat scholen onderwijzen behoorlijk opgeschroefd worden om de ambities tot vergroting van de sociale samenhang ook daadwerkelijk waar te maken. Maandag floot de rechtbank minister Slob (Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) terug bij zijn pogingen de radicale elementen binnen het Amsterdamse Haga Lyceum aan te pakken. De huidige wet staat niet toe een schoolbestuur af te zetten vanwege een ambigue houding ten aanzien van de democratie.

Wetsvoorstel met scherpere eisen

In antwoord daarop zei Slob: wacht op mijn nieuwe wet. Daarin wordt het onderwijzen van respect voor de rechtsstaat veel explicieter geëist, mede op aangeven van de staatscommissie parlementair stelsel (‘Remkes’) en een advies van de Onderwijsraad.

Lees ook: zes argumenten voor en tegen uitgebreidere lessen in burgerschap

Het lijkt er zo op dat onderwijs en burgerschap samen de zuil moeten vormen die de verloren andere zuilen kan vervangen, waarin alle kwesties waar Den Haag zich druk om maakt opgelost worden. Maar het laat zich uittekenen dat via een beroep op grondwetsartikel 23 (vrijheid van onderwijs) ook na de nieuwe wetgeving rechtszaken zullen volgen. Als die niet aangespannen worden door het Haga Lyceum, dan wel door een andere school die niet zo’n zin heeft naar het pijpen van de staat te dansen. Zo’n wet is een stuk rood vlees voor fanatici. Waar tijdens de les het ondergraven van de rechtsstaat en dus misbruik van de vrijheid van onderwijs begint, kon nog wel eens lastig vast te stellen zijn.

Op enig moment komen we op het punt dat scholen leerlingen alles moeten afleren wat op burgerlijke ongehoorzaamheid lijkt – dienstweigeren, protesteren, rare kleren dragen, rondhangen op straat op een manier die door nette mensen als lastig wordt ervaren, of een verwarde indruk wekken. Wat dreigt is dat burgerschap als praktijk – niet meer en niet minder dan het vreedzaam uithouden van verschillen – opgeofferd wordt aan de pogingen om radicalen in te dammen.

Het is fijn, wanneer jongeren om democratie leren geven en misschien is het wel onvermijdelijk om van liefde voor de rechtsstaat een leerdoel te maken. Maar laat ze dan leren dat zoals liefde soms pijn doet, burgerschap dat ook doet. Het onderwijs is te breed om op zoiets beweeglijks als burgerschap in te zetten, en dan te hopen dat het een zuil oplevert. Radicalisme is vooral iets voor het strafrecht, burgers kunnen best wat botsen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.