Haar werk in loondienst was allesbehalve ondergeschikt

Deze rubriek belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week: fiscaal recht.

Foto Daniel Niessen

Ze heeft een eigen bedrijf als ze in 2015, naast haar werkzaamheden als zelfstandige, tijdelijk in dienst gaat als bouwkundig projectleider bij een stichting. In haar belastingaangifte over dat jaar geeft de vrouw op in totaal bijna 1.570 uur te hebben gewerkt, waarvan bijna 1.300 uur voor het project van de stichting. Na verrekening van onder meer de ondernemersaftrek blijft een winst van bijna 16.000 euro over. Daarover krijgt ze het aan de stok met de fiscus. Die meent dat niet alleen de aftrek te hoog is, maar ook dat het loon uit loondienst bij het inkomen uit werk en woning moet worden opgeteld.

De zaak komt voor bij de rechtbank, waar de ondernemer bot vangt. Hoger beroep volgt. Begin januari buigt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich over de kwestie. Daar staat de vraag centraal of de bedragen die de ondernemer kreeg voor de verrichte werkzaamheden bij de stichting kunnen worden aangemerkt als winst uit onderneming. De ondernemer stelt van wel, de fiscus van niet.

Het hof wijst erop dat het soms mogelijk is dat inkomsten uit loondienst geabsorbeerd kunnen worden door de onderneming. Dan moet er wel nauwe samenhang bestaan tussen de in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en het werk dat de vrouw als zelfstandige verricht. Bovendien moeten de werkzaamheden van de dienstbetrekking een ondergeschikte plaats innemen in het totaal aan activiteiten als ondernemer.

Op basis van de feiten en omstandigheden die de vrouw aandraagt, concludeert het hof dat de vrouw er niet in slaagt aan die voorwaarden te voldoen: er is geen samenhang tussen de verschillende werkzaamheden en het werk in loondienst was allesbehalve ondergeschikt aan haar werk als zelfstandige. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak: ECLI:NL:GHARL:2020:255