Opinie

De tweeling

Ellen Deckwitz

Af en toe heb ik nachtdienst, dat wil zeggen als jeugdvriendin A. weer eens last heeft van nachtmerries en dat ik dan een paar avonden bij haar logeer. Sommigen slapen nu eenmaal beter met een ander naast hen, en op gezette tijden kruip ik in mijn onesie naast haar. Gewoonlijk is ze dan binnen enkele minuten onder zeil (ik weet nooit zeker of ik me nu beledigd of gevleid moet voelen dat ik op haar het effect van chloroform heb), maar gisteravond hielp zelfs mijn normaliter slaapverwekkende aanwezigheid niet en zo barstte ze in huilen uit.

„Ik ben zo moe”, zei ze terwijl ze haar hoofdkussen ondersnotterde, „maar ik durf niet te slapen. Ik ben zo bang voor wat er komt.” Ik aaide haar hoofd, dat gesloten systeem waarin angsten zitten waarvan niemand een idee heeft waar ze vandaan komen. Als kind gilde ze het soms al uit in haar slaap. Therapie, retourtjes naar de slaapkliniek, niets hielp. De nachtmerries bleven.

„Het stomme is dat ik me meestal niet eens helemaal herinner waar de droom over ging”, fluisterde ze, „meestal beklijft een sfeer, een paar vormen, een kluwen emoties. Veel maakt het ook niet uit, want er valt toch niets aan te doen.”

Ze snotterde even door en zei toen: „Vertel me iets, maakt niet uit wat.”

En ik begon over mythen, vertelde dat bij de oude Grieken de goden van de dood en de slaap tweelingbroers waren, omdat wie slaapt ook een beetje dood is, en wie net dood is lijkt te slapen.

‘De god van de slaap is volgens sommige denkers eigenlijk dezelfde persoon als de god van de dood”, zei ik, „aangezien de mens grofweg de helft van zijn leven slaapt.”

„Ik niet”, fluisterde A., „sterker nog: ik denk dat ik banger ben voor de slaap dan voor de dood.”

„Dat meen je niet.”

„Ik weet het niet”, zei ze terwijl ze het dekbed over zich heen trok, zich verder ingroef in haar matras. „De dood zal tenminste een einde betekenen van de nachtmerries.”

„Maar ook een einde van de dromen”, zei ik, terwijl ik probeerde mijn stem niet te laten overslaan.

„Ik ben soms een beetje klaar met dromen”, zuchtte ze, en ik hield haar stevig vast. De ene broer kan niet bestaan zonder de andere, en ik niet zonder haar. En zo lagen we in het donker, beiden niet dood, beiden niet slapend, beiden bang.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.