Opinie

Abstracte portretten lijken het meest op iedereen

Maxim Februari

In Genève hebben ze de verkeersborden bij zebrapaden veranderd. Mannen eraf. Vrouwen erop. Zwangere vrouwen, oudere vrouwen, lesbische vrouwen. De doelstelling is ‘nul seksisme’ en de hoop van de burgemeester is in de toekomst ook dikke mensen en gehandicapten op de bordjes te krijgen. Plus arme mensen, stel ik me zo voor. Muzikale, geniale en onnozele mensen.

In Nederland is ooit gekozen voor de tegenovergestelde beweging: niet diversifiëren maar abstraheren. In maart 1990 werden nieuwe verkeersborden ingevoerd en ontwerper Steven Tuinstra legde in De Kampioen van de ANWB uit waarom. De afbeeldingen van fietsen en auto’s waren hopeloos verouderd en de grootvader die op het voetpadbordje zijn kleindochter aan de hand meesleurde was een bron van ergernis. Vooral omdat hij leek op een kinderlokker. „Om discussies over emancipatie te voorkomen, hebben we alle mensfiguren onzijdig gemaakt.” Geen jongetje en meisje meer op weg naar school, maar wezens.

Dertig jaar later kijkt Genève dus ook naar de plaatjes. De stad kiest juist niet voor onzijdigheid en abstractie, maar voor een veelheid aan leeftijden en vormen, de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste identiteit. Iedereen zijn eigen persoonlijke stoplicht. Aan dit verschil met Nederland ligt een interessante kwestie ten grondslag rondom identificatie. Met wie identificeer je je het meest en in wie herken je je het best: in een waarheidsgetrouwe afbeelding van het individu of in de universele mens?

De Amerikaanse striptekenaar Scott McCloud kwam in 1993 met het boek Understanding Comics dat furore maakte. Het boek is zelf een strip en het gaat ook over de beeldtaal van de strip. Met behulp van tekst en plaatjes legt McCloud uit wat het voordeel is van cartooneske beelden. Teken je een realistisch portret, dan beschrijft het alleen die ene persoon; maar abstraheer je een beetje, dan lijkt het portret al gauw op duizenden of miljoenen mensen. Hoe abstracter – „the more cartoony a face is” – hoe universeler. Een smiley lijkt op iedereen.

Individualiteit zit identificatie dus vreemd genoeg in de weg. Kijk je naar een individueel portret op een verkeersbordje, naar een zwangere vrouw of een man met een hoed, dan zie je de ander. Kijk je naar een cartoony face, een mensfiguur, dan zie je jezelf.

McCloud laat in stripvorm zien hoe het werkt. Hij fungeert in zijn boek als verteller, maar heeft zichzelf getekend in een sterk versimpelde stijl, om de lezers een identificatiemogelijkheid te geven en ze het verhaal in te trekken. Op slechts één plaatje geeft hij zichzelf realistisch weer, met een tekstballonnetje waarin hij vraagt: „Had je naar me geluisterd als ik er zó uit had gezien?”

Je moet jezelf een tikkeltje cartooniseren om herkenbaar te zijn: dat is een les voor iedereen die zich tot groepen richt. In Vrij Nederland wijst Kelli van der Waals erop dat influencers onder invloed van de beroemde Kim Kardashian allemaal hetzelfde uiterlijk hebben gekozen: „Dezelfde lippen, borsten en billen.” Hoewel ze zichzelf verkopen als persoonlijk merk, schrijft Van der Waals, is het gekke dat al de „zelfvermarkters” steeds sterker op elkaar lijken. Toch lijkt mij dat niet zo verschrikkelijk gek als je bedenkt dat ze een stripfiguur zijn geworden, een Kim Kardashian-cartoon, om maar zoveel mogelijk mensen te bereiken.

In de serieuze kunst, in de romantische stromingen althans, is het allerindividueelste wel van belang. Daar is een portret een een-op-een-ontmoeting. Zulke kunst draait om kennismaking met het gezicht van de ander. Maar verkeersbordjes zijn geen kunst. Op verkeersbordjes moet je de wereld vooral begrijpelijk weergeven. De Oostenrijkse filosoof en econoom Otto Neurath bedacht daarvoor in de eerste helft van de twintigste eeuw de beeldtaal Isotype: de symbolen voor auto’s, mensen, fabrieken, hotels en wc’s die nu nog worden gebruikt op borden en in grafieken. Door Isotype kwam complexe informatie voor iedereen beschikbaar. Er zat een democratisch streven achter, een ideaal van gedeelde kennis en universele gesprekken.

Dit ideaal zou ik graag cadeau doen aan de burgemeester van Genève en even bevlogen bestuurders in Nederland. Ze kunnen wel transgenders op de bordjes willen, maar hoe zien die er in vredesnaam uit? En hoe relevant is hun allerindividueelste bestaan voor de waarschuwing dat er een stoplicht nadert? Een cartoonesk plaatje communiceert beter. Te meer, zegt McCloud, omdat het beeld dat we in gedachten van ons eigen gezicht hebben op een universele cartoon lijkt. Hoe uniek we ook zijn, we zijn niet in staat onszelf realistisch te zien. Ons innerlijk zelfbeeld is geen individu maar een emoticon.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.