Wankel op haar benen, maar niet in het leven

Vanuit de Verenigde Staten schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over de vrouw die haar columns leest en gedichten terugstuurt.
Illustratie Eliane Gerrits

Merel maakt zich zorgen over Ramses, haar konijn. Hij is niet tierig. In eten heeft hij geen zin en hij ligt er slapjes bij. Een paar weken geleden was haar hamster Ezra al overleden. Die lag zomaar opgerold tussen de houtkrullen. Ramses, na lang wikken en wegen opgehaald bij de kinderboerderij, moest het verdriet om Ezra verzachten. En nu zorgt het diertje op zijn beurt weer voor problemen.

Merel is een vrouw van onbestemde leeftijd. Toen ze een jong meisje was, at ze veel te weinig en dat eiste een hoge tol. Ze ligt dan ook om de haverklap in het ziekenhuis. Soms stuurt ze dan een selfie. Blonde, kortgeknipte haren rond een spierwit gezicht met een slangetje vastgeplakt in haar neus. Blauwe ogen waarvan ik me maar moeilijk los kan maken. Ik zou dan willen dat ze hier was, om haar mijn zelfgemaakte soep te voeren. Lepel voor lepel.

In plaats daarvan wens ik haar beterschap, ook al weet ik dat het nooit meer helemaal goed komt. Maar klagen doet ze niet. Haar frêle lichaam werkt op een geheel eigen manier. Ze verheugt zich erop weer buiten op een bankje te zitten, desnoods in de mist.

Sinds ik deze column schrijf, corresponderen we met elkaar. „Door jou kom ik nog eens ergens”, schreef ze de eerste keer. „Ik beleef jouw avonturen, in een land ver weg waar ik nooit zal komen.”

Ze reageert vooral als ik schrijf over mensen aan de achterkant van de maatschappij. De dakloze jongen in Manhattan, de verwarde vrouw in de supermarkt, de illegale immigrant die voortdurend in angst leeft. „Weten deze mensen wel dat hier aan de overkant van het water het licht op hen valt?”

Haar brieven zijn altijd opgewekt van toon, behalve als er iets is met haar dieren. „Zou Ramses pijn hebben?”, schrijft ze onder een meegestuurde foto. Ik probeer kop en staart te onderscheiden in het verfrommelde hoopje haar in een plastic bakje bij de dokter.

Ik vraag me af hoe het met háár pijn is. Ze is alleen, vaak moe, en moet alles zelf bevechten. Maar Merel is strijdbaar en zit vol plannen. Ze mag dan wel wankel op haar benen staan, ze staat niet wankel in het leven.

Af en toe stuurt ze me gedichten. Dan is het alsof ze een dreun uitdeelt, zo brengen haar woorden me van mijn stuk. Haar taal is een spel waarvan zij de regels bepaalt. Als ik erin duik, beland ik op een wat stroeve, tijdloze plek waar ik uit mezelf niet kom. Het is daar vaak ongemakkelijk toeven, maar tussen haar schorre geluid en de stilte valt van alles te beleven.

Ik bewonder deze trotse vrouw, die taal smeedt tot een pantser, maar via de kieren een blik gunt in haar ziel.

Voor Merel is niets zomaar wat het is. Ze kijkt naar de dingen als een vroegwijs kind dat zich verwondert over de wereld. Een wereld waarin je beste vrienden zomaar een hamster en een konijn kunnen zijn. Door haar kom ik nog eens ergens.

Reacties naar pdejong@ias.edu.