Opinie

Ik werd de rest van mijn volleyballeven ‘Marcel de moker’ genoemd

Marcel

Wij waren een volleybalgezin. Net als mijn broer en zus zat ik ook op volleybal. Vaak hingen we de hele zaterdag in identieke trainingspakken rond in sporthal ‘De Dumpel’ in Velp. Waarom volleybal?

We konden het in ieder geval geen van drieën, misschien dat mijn ouders ons zo wilden harden voor het echte leven. Ik keek vooral uit naar de momenten dat ik mocht serveren, voor de rest was het een kwestie van overleven. Het was nog in de tijd van voor de sprongservice, we deden het bovenhands. Keihard. Ik serveerde ooit een scheidsrechter uit zijn stoel. Hij brak een sleutelbeen, de wedstrijd werd gestaakt, ik werd de rest van mijn volleyballeven ‘Marcel de moker’ genoemd.

Het volleybalverleden kwam weer even terug toen ik zaterdag, voorafgaand aan ‘een optreden’ in Theater Orpheus in Apeldoorn bij binnenkomst werd staande gehouden door een boomlange suppoost. Geen toeval natuurlijk: Apeldoorn is de volleybalhoofdstad van Nederland. Het is daar echt een volkssport: de ambtenarenkinderen worden er vlak na de geboorte op volleybal gedaan. Als je in Apeldoorn moest volleyballen, ik herinner me een club die Dynamo heette, wist je bij voorbaat al dat je ging verliezen.

Die man wist zeker dat hij met mij op volleybalkamp was geweest. Ik herkende hem niet, maar het klopte wel dat ik in mijn puberteit twee zomers door mijn ouders naar een door de NEVOBO georganiseerd volleybalkamp was gestuurd.

In de auto op de terugweg werd die herinnering opeens heel helder. Ik was opeens weer helemaal terug in Beekbergen, tussen allemaal lange slungels, die zonder uitzondering beter konden volleyballen dan ik.

We volleybalden de hele dag.

Dieptepunt was de dag dat de trainers van Jong Oranje ons een masterclass kwamen geven. Ze stuurden om te beginnen de minder getalenteerden uit het veld omdat die de vaart er maar uithaalden. Wij konden het meeste leren door naar de anderen te kijken.

Het ergste was ‘ontbijtvolleybal’: de dag beginnen met volleybalwedstrijden, waarna de verliezers brood moesten smeren voor de winnaars.

Ik zat nooit bij de winnaars, ik at iedere dag van wat er over was.

Misschien heeft dat me wel gevormd, dacht ik zaterdag opeens, nadat ik heel erg mijn best had gedaan om me die suppoost te herinneren als een jongen die toen wel heel goed was.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz